|
Uitspraak
00/1103
AOW en 00/1105 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beslissing op bezwaar van 6 juli 1999, het thans bestreden besluit,
heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 maart
1999, waarbij de aan hem toegekende toeslag ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) ingaande 1 juni 1998 is herzien naar f. 139,59 bruto
per maand, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 24
januari 2000 het tegen het besluit van 6 juli 1999 ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M. van Olffen, advocaat te Leiderdorp, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 februari 2001 heeft mr. Van Olffen nog enige stukken
aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 maart
2001, waar namens appellant is verschenen mr. Van Olffen, voornoemd, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van der Most,
werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt sedert 1 februari 1999 een ouderdomspensioen
ingevolge de AOW alsmede een toeslag ingevolge die wet, omdat zijn
echtgenote de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt. In maart 1999
heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat zijn echtgenote ingaande 1
april 1999 een VUT-uitkering ontvangt van f. 1081,41 bruto per maand.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 19 maart 1999 heeft gedaagde
de aan appellant toegekende toeslag ingaande 1 april 1999 herzien en
nader vastgesteld op f. 139,59 bruto per maand.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat niet is gebleken dat de korting op de toeslag zich niet
verdraagt met het bepaalde in de AOW en het Inkomensbesluit AOW 1996,
dat een VUT-uitkering niet kan worden aangemerkt als inkomen uit
vermogen en dat de toeslagregeling ook verenigbaar is te achten met
diverse namens appellant genoemde bepalingen van internationaal recht.
In hoger beroep is namens appellant, kort samengevat, aangevoerd dat in
de aangevallen uitspraak niet gemotiveerd is ingegaan op zijn beroep op
diverse bepalingen van internationaal recht en op zijn stelling omtrent
de schending van het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is namens appellant
tevens verwezen naar de uitspraak van de rechtbank te Assen van 9 april
1999 (USZ 99/146). Voorts is aangevoerd dat sprake is van een schending
van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met
artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat de VUT-uitkering,
anders dan een WW-uitkering en een lijfrente, ten onrechte is aangemerkt
als inkomen in verband met arbeid.
De Raad stelt voorop dat in deze procedure alleen appellant
belanghebbende is, nu zowel het primaire besluit als het bestreden
besluit alleen aan hem zijn gericht en slechts betrekking hebben op zijn
aanspraken op toeslag ingevolge de AOW.
Voorts merkt de Raad op dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot
de rechtmatigheid van gedaagdes bestreden besluit, voorzover dat inhoudt
dat het inkomen van de echtgenote van appellant geheel op de toeslag in
mindering wordt gebracht.
Ten aanzien van het beroep van appellant op het discriminatieverbod
zoals onder meer neergelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarmee de regeling
in de toeslagregeling van de AOW voor de aftrek van inkomen in verband
met arbeid in strijd zou zijn omdat zij afwijkt van de terzake geldende
regeling in de Algemene nabestaandenwet (Anw), verwijst de Raad naar
zijn uitspraak van 2 mei 2001 in de zaak 99/2516 AOW, waarvan een
afschrift aan deze uitspraak is gehecht. De daarin opgenomen
overwegingen worden geacht te zijn herhaald in de onderhavige uitspraak.
Wat betreft het beroep van appellant op artikel 14 van het EVRM en
artikel 1 van het Eerste Protocol, merkt de Raad allereerst op dat van
een verboden discriminatie tussen VUT-uitkeringen en de door appellant
genoemde uitkeringen niet kan worden gesproken, omdat geen sprake is van
een ongelijke behandeling als bedoeld in eerst genoemd artikel nu sprake
is van uitkeringen met een geheel ander karakter. Een VUT-uitkering kan
niet gelijk gesteld worden met een lijfrente, welke rente als inkomen
uit vermogen moet worden aangemerkt. Verder merkt de Raad op dat slechts
loondervingsuitkeringen - waaronder WW-uitkeringen - welke worden
ontvangen zolang de dienstbetrekking voortduurt, worden beschouwd als
inkomen uit arbeid, zodat ook ten aanzien van deze categorie uitkeringen
niet gezegd kan worden dat een VUT-uitkering daarmee gelijk gesteld kan
worden.
Voorts kan naar 's Raads oordeel in deze procedure niet gesproken worden
van een inbreuk op een eigendomsrecht van appellant, als bedoeld in
artikel 1 van het Eerste Protocol, nu op zijn recht op een VUT-uitkering
geen inbreuk wordt gemaakt en zijn aanspraak op een toeslag ingevolge de
AOW niet aangemerkt kan worden als een ongeclausuleerd eigendomsrecht.
Ook het beroep van appellant op IAO-verdrag 128 (Trb. 1968, 131) kan,
daargelaten nog de vraag of de hier van belang zijnde bepalingen in dat
verdrag als een ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen
93 en 94 van de Grondwet kunnen worden aangemerkt, niet slagen, nu het
aan appellant toegekende AOW-pensioen meer bedraagt dan het in dit
verdrag genoemde minimum pensioen en in het verdrag geen voorschriften
omtrent de aanspraak op toeslagen op dat (minimum) pensioen zijn
opgenomen.
Ten slotte is namens appellant in eerste aanleg nog een beroep gedaan op
een aantal EG-richtlijnen en op een aanbeveling van de Raad van de EG.
De Raad onderschrijft het standpunt van gedaagde dat, mede gelet op de
uitspraak van deze Raad van 30 maart 1993 (RSV 1993/286), geconcludeerd
moet worden dat het toeslagenregime in de AOW niet strijdig is met deze
richtlijnen en de aanbeveling.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|