|
Uitspraak
99/2349
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven en/of rechtverkrijgenden van [A.], laatstelijk gewoond hebbende
te B., appellanten,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 april 1997 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde het bezwaar van [A.] (hierna: verzekerde) tegen zijn besluit
van 28 januari 1997, welk bezwaar door gedaagde, onder toepassing van
artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), werd
geacht mede te zijn gericht tegen zijn besluit van 4 april 1997,
ongegrond verklaard. Bij dat besluit van 4 april 1997 had gedaagde zijn
besluit van 28 januari 1997 ingetrokken en bepaald dat de termijnen van
het aan verzekerde ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekende
pensioen zullen worden uitbetaald met ingang van oktober 1994.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 1 april
1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Verzekerde heeft bij gemachtigde mr. M.M. Weijand, advocaat te Ede, op
bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) van 2 november 1999 uiteengezette gronden tegen die uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, welk verweerschrift door de
Raad op 6 april 2000 is ontvangen.
Bij faxbericht van 14 augustus 2001 heeft mr. Weijand, voornoemd, aan de
Raad meegedeeld dat verzekerde is overleden en dat de erven van
verzekerde het geding wensen voort te zetten.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 augustus
2001, waar appellanten met bericht niet zijn verschenen, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal,
werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als
zodanig zijn vermeld in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak.
In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte
stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank
bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.
Blijkens de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering
heeft gedaagde zijn in zijn besluit van 4 april 1997 neergelegde
standpunt gehandhaafd, welk standpunt inhield dat het reeds in 1989 aan
verzekerde ingevolge de AOW toegekende pensioen, welk pensioen in
verband met de opstelling van verzekerde nooit tot uitbetaling was
gekomen, met ingang van oktober 1994 aan verzekerde zal worden
uitbetaald. De op 1 oktober 1996 door gedaagde van verzekerde ontvangen
aanvraag wordt, omdat aan verzekerde reeds een pensioen was toegekend,
door hem gezien als een verzoek over te gaan tot (hernieuwde)
betaalbaarstelling van het pensioen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, kort gezegd, geoordeeld
dat de door verzekerde ingediende aanvraag door gedaagde terecht is
aangemerkt als een verzoek tot betaalbaarstelling van het reeds
toegekende pensioen en dat gedaagde, door te bepalen dat de uitbetaling
met ingang van oktober 1994 wordt aangevangen, een juiste toepassing
heeft gegeven aan het terzake toepasselijke artikel 23 van de AOW.
Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat haar niet is
gebleken dat de door gedaagde toentertijd verrichte betaalbaarstellingen
niet deugdelijk zijn geweest en dat het voor rekening en risico van
verzekerde moet worden geacht dat zij het besluit tot toekenning van het
pensioen ingevolge de AOW in 1989 niet heeft ontvangen. In het bijzonder
heeft de rechtbank daarbij nog overwogen dat zij van oordeel is dat
gedaagde, gelet op de reeds ondervonden moeilijkheden bij het verzenden
van bescheiden aan verzekerde, niet meer gehouden moest worden geacht
tot het alsnog (aangetekend) verzenden van de toekenningsbesluiten.
In hoger beroep is de juistheid betwist van de in het voorliggende geval
aan artikel 23 van de AOW gegeven toepassing, waartoe is aangevoerd dat
verzekerde pas medio juli/augustus 1997 ervan op de hoogte was dat aan
haar een pensioen ingevolge de AOW was toegekend vanaf maart 1989,
waardoor zij pas medio juli/augustus 1997 in de gelegenheid was over te
gaan tot 'invordering' van het aan haar toekomende pensioen en ook pas
vanaf dat moment de vervaltermijn van artikel 23 van de AOW in werking
treedt.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 23 van de AOW schrijft gedaagde dwingend voor dat termijnen van
het ouderdomspensioen, welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na
de eerste dag waarop zij konden worden ingevorderd, niet meer worden
uitbetaald. Genoemd artikel behelst derhalve een vervaltermijn, waarvan
het verstrijken meebrengt dat gedaagde niet meer bevoegd kan worden
geacht tot uitbetaling van desbetreffende termijnen over te gaan. De
vervaltermijn van twee jaar vangt aan op het moment waarop de betrokkene
tot de maandtermijn gerechtigd is geworden.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde in het voorliggende
geval terecht en op juiste gronden aan even genoemd artikel toepassing
heeft gegeven. Daartoe overweegt de Raad dat ook naar zijn oordeel
verzekerde reeds eerder tot invordering van termijnen van het aan haar
toegekende pensioen had kunnen overgaan. Het betoog van de zijde van
appellanten, inhoudende dat verzekerde pas medio 1997 op de hoogte was
geraakt van het feit dat reeds in 1989 aan haar een pensioen ingevolge
de AOW was toegekend, vermag de Raad niet tot een andersluidend oordeel
te brengen, omdat het voor rekening en risico van verzekerde moet worden
geacht te komen dat zij het besluit tot toekenning van een pensioen
ingevolge de AOW niet eerder heeft ontvangen en derhalve ook niet eerder
tot invordering van het pensioen heeft kunnen overgaan. De Raad stelt
zich voor dit oordeel achter de overwegingen die de rechtbank terzake
heeft gegeven in de aangevallen uitspraak.
Gelet op het hiervoor overwogene, dient de aanvraag van verzekerde,
gedateerd 27 september 1996 en door gedaagde ontvangen op 1 oktober
1996, te worden aangemerkt als een verzoek om tot uitbetaling van het
reeds toegekende pensioen over te gaan. Derhalve heeft gedaagde bij het
bestreden besluit, onder toepassing van artikel 23 van de AOW, terecht
besloten tot betaalbaarstelling van het aan verzekerde toegekende
pensioen met ingang van 1 oktober 1994.
Het hoger beroep treft, gezien de hiervoor gegeven overwegingen, geen
doel, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26
september 2001.
(get.) T.L.
de Vries.
(get.) J.J.B.
van der Putten.
|
|