|
Uitspraak
99/5767
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.] (Frankrijk), appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 7 maart 1996 heeft gedaagde aan appellante met ingang
van 1 april 1996 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 88% van het volledige
pensioen voor een gehuwde die duurzaam een gezamenlijke huishouding
voert.
Bij besluit van 18 februari 1998 heeft gedaagde aan appellante met
ingang van 1 april 1996 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 98%
van het volledige pensioen voor een gehuwde en dat pensioen stapsgewijs
in 4 kwartalen met 2ฝ% per kwartaal afgebouwd, zodat appellante met
ingang van 1 april 1997 een AOW-pensioen ontvangt ter hoogte van 88% van
het volledige pensioen voor een gehuwde die duurzaam een gezamenlijke
huishouding voert.
Bij besluit van 5 maart 1998 is het bezwaar tegen het besluit van 7
maart 1996, dat mede is aangemerkt als gericht tegen het besluit van 18
februari 1998, ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 21
oktober 1999 het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 ongegrond
verklaard.
Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van 21 oktober 1999.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 19 september 2001. Beide partijen zijn daar, na
voorafgaande mededeling, niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Appellante is gehuwd en gedaagde heeft haar echtgenoot bij besluiten van
11 december 1991 met ingang van 1 november 1990 een AOW-pensioen en een
toeslag ingevolge de AOW toegekend. In een begeleidend schrijven van
dezelfde datum staat onder meer vermeld dat appellante bij
gelijkblijvende omstandigheden bij het bereiken van de 65-jarige
leeftijd recht heeft op een ouderdomspensioen gebaseerd op 49 jaren. Bij
brief van 28 december 1992 heeft de afdeling verzekeringen van gedaagde
aan de echtgenoot van appellante volgend op de uitleg omtrent de
berekening van de toeslag, welke in dit geval is gebaseerd op 44
verzekeringsjaren van appellante en 5 verschiljaren, onder meer
medegedeeld dat volgens de op dat moment ten dienste staande gegevens
appellante bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht heeft op 98%
van het volledige ouderdomspensioen voor een gehuwde.
Bij het toekenningsbesluit van 7 maart 1996 heeft gedaagde wegens niet
verzekerde tijdvakken een korting van 12% toegepast op het AOW-pensioen
van appellante en dat standpunt gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar
van 12 juni 1996. De rechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 5
november 1997, waarin partijen hebben berust, onder meer vastgesteld dat
de korting van 12% op het AOW-pensioen terecht heeft plaatsgevonden. De
rechtbank heeft voorts overwogen dat appellante aan de - onjuiste -
mededeling in de brief van 28 december 1992 de verwachting kon ontlenen
op een pensioenaanspraak van 98%. Het niet-nakomen van de bij appellante
gewekte verwachting maakt inbreuk op het bij haar op goede gronden
berustende vertrouwen. De rechtbank heeft daarbij voorts overwogen dat
het corrigeren van een onjuiste mededeling als deze grote zorgvuldigheid
vergt. Bij de door gedaagde af te wegen belangen verdient het belang van
het gewekte vertrouwen bij appellante met name aandacht. Gedaagde diende
zich nader te beraden op welke wijze tegemoet kon worden gekomen aan de
gewekte verwachtingen, op welke grond de rechtbank in haar uitspraak van
5 november 1997, onder gegrondverklaring van het beroep, het besluit van
12 juni 1996 heeft vernietigd en heeft bepaald dat gedaagde binnen vier
weken nadat die uitspraak rechtens onaantastbaar is geworden een nieuw
besluit neemt, met inachtneming van het in de uitspraak van de rechtbank
overwogene.
Gedaagde heeft daarop bij besluit van 18 februari 1998 alsnog aan
appellante met ingang van 1 april 1996 een AOW-pensioen toegekend ter
hoogte van 98% van het volledige pensioen voor een gehuwde. Dit
percentage is per 1 juli 1996 verlaagd naar 95,5, per 1 oktober 1996
naar 93, per 1 januari 1997 naar 90,5 en ingaande 1 april 1997 naar 88.
Het op deze wijze toekennen van het AOW-pensioen heeft gedaagde
gebaseerd op het beleid dat is ontwikkeld voor de situatie waarin een
beslissing in strijd is met het rechtszekerheids- of
vertrouwensbeginsel. Er wordt dan een afbouwregeling toegepast. De
uitkering wordt in dat geval in een tijdsbestek van ้้n jaar
stapsgewijs verlaagd. Appellante heeft tegen dit besluit ook bezwaar
gemaakt, waarna gedaagde vervolgens het thans bestreden besluit van 5
maart 1998 heeft afgegeven.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak onder meer overwogen dat
het beleid past binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling en
dat het in het voorliggende geval conform is toegepast. Ook heeft de
rechtbank overwogen dat appellante nimmer feitelijk een pensioen van 98%
heeft genoten en dat niet is gebleken dat appellante handelingen heeft
verricht ervan uitgaande dat zij 98% van een volledig pensioen zou
krijgen, die zij niet verricht zou hebben als die toezegging haar niet
gedaan zou zijn en dat zij daardoor schade heeft geleden.
Appellante heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat zij door de
haar verstrekte informatie heeft afgezien van het aangaan van een
zogenaamde "rente viag่re".
De Raad overweegt als volgt.
Gelet op het dictum van de uitspraak van de rechtbank van 5 november
1997 diende gedaagde een nieuw besluit te nemen, welk besluit niet
anders kan worden gekwalificeerd als een nieuwe beslissing op het
bezwaar van appellante tegen het besluit van gedaagde van 7 maart 1996.
Desondanks heeft gedaagde een nieuw primair besluit op 18 februari 1998
afgegeven, waartegen appellante bezwaar heeft ingediend. Nu appellante
hierdoor niet wordt geschaad in haar processuele belangen ziet de Raad
aanleiding om in deze procedure het besluit van 18 februari 1998 en dat
van 5 maart 1998 als ้้n geheel te beschouwen, waarbij de vraag dient
te worden beantwoord of de afbouwregeling die gedaagde heeft getroffen
de aan te leggen toets kan doorstaan.
Partijen hebben berust in de uitspraak van de rechtbank van 5 november
1997, waardoor rechtens vaststaat dat appellante recht heeft op een
AOW-pensioen waarop een korting van 12% dient plaats te vinden, en dat
zij aan de foutieve mededeling in de brief van gedaagde van 28 december
1992 de verwachting kon ontlenen op een AOW-pensioen waarop slechts een
korting van 2% zou plaatsvinden. Voorts staat rechtens vast dat gedaagde
bij de correctie van de foutieve mededeling het belang van appellante
dient mee te wegen.
Gedaagde voert als beleid dat in een situatie als de onderhavige, waarin
verwachtingen zijn gewekt die dienen te worden gehonoreerd, het pensioen
in een tijdsbestek van een jaar wordt afgebouwd naar het pensioen waarop
wettelijk gezien recht bestaat. Dit beleid staat vermeld in paragraaf
5.3.2.1. van de SVB Beleidsregels 1998 dat handelt over de herziening of
intrekking ten nadele van de gerechtigde op grond van het bepaalde in de
leden 1 en 3 van artikel 17 en artikel 17a van de AOW.
De Raad stelt vast dat gedaagde dit beleid zonder nader onderzoek heeft
toegepast op de situatie van appellante. Naar het oordeel van de Raad
verhoudt een dergelijke werkwijze zich niet met het bepaalde in artikel
3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, ingevolge welke bepaling het
bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis
omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart, te
minder nu uit de uitspraak van de rechtbank van 5 november 1997 volgt
dat het belang van appellante met name aandacht verdient bij de af de
wegen belangen. De Raad vermag niet in te zien hoe gedaagde zonder nader
onderzoek het juiste gewicht aan het belang van appellante kon
toekennen. De Raad acht bij dit geheel ook nog van belang dat het door
gedaagde ontwikkelde beleid niet volledig lijkt te zijn toegespitst op
een geval als het onderhavige, waarbij appellante op grond van de bij
haar gewekte verwachtingen heeft nagelaten zich aanvullend te
verzekeren, terwijl dit op het moment dat de onjuistheid van de gedane
mededelingen blijkt niet meer mogelijk is omdat het te verzekeren risico
reeds is ingetreden.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank het beroep ten onrechte
ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal, evenals het
bestreden besluit worden vernietigd, terwijl het inleidende beroep
alsnog gegrond wordt verklaard. Gedaagde dient met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing te nemen op
het bezwaar van appellante.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van
appellante is de Raad niet gebleken. Wel dient gedaagde het door
appellante in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht aan
haar te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellante;
Verstaat dat gedaagde het door appellante gestorte griffierecht van in
totaal f 225,-- aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001.
(get.) F.P. Zwart.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|