|
Uitspraak
00/746
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 24 augustus 1998 heeft gedaagde een verzoek d.d. 8 mei
1998 van appellant tot vrijstelling van de verplichte verzekering
ingevolge de volksverzekeringen Algemene Ouderdomswet, Algemene
nabestaandenwet en Algemene Kinderbijslagwet afgewezen.
Bij het thans bestreden besluit van 23 oktober 1998 heeft gedaagde het
bezwaar tegen eerstvermeld besluit ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van
29 december 1999 het beroep van appellant tegen het besluit van 23
oktober 1998 ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 9 februari 2000 heeft appellant hoger beroep
ingesteld tegen deze uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 1 mei 2000, ingediend.
De Stichting Bureau voor Belgische Zaken heeft bij brief van 5 juli 2001
een vraag van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 oktober 2001.
Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde is verschenen bij
gemachtigde mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant heeft, wonend in Nederland, tot 8 februari 1994 in Belgi๋
gewerkt. Vanaf die datum ontving hij een Nederlandse
werkloosheidsuitkering, aangevuld met het door zijn voormalige werkgever
te betalen gedeelte van het Belgische brugpensioen.
Met betrekking tot het besluit om appellant geen vrijstelling van de
verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen te verlenen,
overweegt de Raad als volgt.
Ten aanzien van appellants positie onder de EG-verordening nr. 1408/71
heeft de rechtbank vastgesteld dat hij op grond van artikel 13, tweede
lid, sub f van die Verordening (exclusief) is onderworpen aan de
Nederlandse wetgeving.
De Raad onderschrijft dit oordeel. Mede gelet op de brief d.d. 14
augustus 1998 van de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen aan gedaagde
staat vast dat appellant sedert 8 februari 1994 niet meer was
onderworpen aan de Belgische wetgeving. Als niet-werkende was hij
derhalve op grond van voormelde verordeningsbepaling onderworpen aan de
wetgeving van zijn woonland, Nederland.
In dit verband merkt de Raad nog op, dat gedaagde in zijn besluiten van
24 augustus 1998 en 23 oktober 1998 niet is ingegaan op appellants
beroep op het bepaalde in de artikelen 17 en 17bis van de EG-verordening
nr. 1408/71. Gedaagde heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep
uiteengezet dat op een verzoek ingevolge die bepalingen niet anders dan
afwijzend kan worden beslist. Ten aanzien van artikel 17bis
onderschrijft de Raad gedaagdes standpunt: appellant woont niet in een
andere lidstaat dan ้้n krachtens welks wetgeving hij een pensioen of
rente ontvangt. Met betrekking tot artikel 17 heeft gedaagde gesteld,
dat hij daaraan alleen toepassing geeft indien de betrokkene
werkzaamheden verricht in een andere EG-staat. Hoewel de Raad begrip
heeft voor dit standpunt, moet hij constateren dat artikel 17 zich
blijkens zijn bewoordingen niet beperkt tot de categorie actieve
werknemers en in beginsel ook toepassing kan vinden in het geval dat een
persoon onder artikel 13, tweede lid, sub f van de Verordening valt.
Desgewenst kan appellant alsnog van gedaagde verlangen dat hij een
besluit neemt op een verzoek om toepassing te geven aan artikel 17 van
de EG-verordening nr. 1408/71.
Als ingezetene was appellant in beginsel verzekerd voor de
volksverzekeringen.
Gedaagde heeft, hiervan uitgaande, terecht aan de hand van het
Koninklijk besluit van 3 mei 1989, Stb. 164 (Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989) naar aanleiding van
appellants verzoek beoordeeld of hij in aanmerking kwam voor
vrijstelling van de verplichte verzekering.
De conclusie dat deze mogelijkheid niet bestaat, deelt de Raad. Ook al
zou het Belgische brugpensioen moeten worden aangemerkt als een
uitkering ingevolge een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale
zekerheid - hetgeen gedaagde ontkent -, moet worden vastgesteld dat aan
de voorwaarde van artikel 24, tweede lid sub b van het besluit,
inhoudende dat de buitenlandse uitkering groter is dan of gelijk is aan
de Nederlandse uitkering, niet wordt voldaan.
Het verzoek om vrijstelling is terecht afgewezen. De toepasselijke
nationale wettelijke regelingen noch de relevante bepalingen van
EG-recht voorzien in de door appellant gewenste beperking van de
inhoudingen op zijn brugpensioen tot hetgeen op die uitkering zou zijn
ingehouden als appellant onder de Belgische wetgeving zou vallen.
De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Er zijn geen termen voor
een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 november 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|