|
Uitspraak
99/2102 AOW en 00/1458 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 augustus 1997 heeft appellant aan gedaagde
vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) -
hierna: de volksverzekeringen - verleend met ingang van 27 mei 1997.
Bij besluit van 28 oktober 1997 (hierna: het bestreden besluit) heeft
appellant het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 1997 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 4 maart 1999 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te
nemen, met veroordeling van appellant in de proceskosten en tot
vergoeding van het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift, met bijlage, aangevoerde gronden. Bij brief van 13
september 1999 heeft appellant nog een stuk aan de Raad gezonden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant bij brief van
17 maart 2000 een besluit van die datum aan de Raad gezonden, waarbij
appellant een namens gedaagde ingediend verzoek tot vaststelling van een
eerdere vrijstellingsdatum dan 27 mei 1997 heeft afgewezen. Vervolgens
heeft de griffier van de Raad bij brieven van 30 maart 2000 aan partijen
medegedeeld dat besloten is om bij de behandeling van dit geding tevens
een oordeel te geven over het nadere besluit van 17 maart 2000.
Namens gedaagde heeft mr. H.G.M.F. Rothkranz, advocaat te Maastricht, op
5 april 2000 een aanvullend verweerschrift ingediend. Ten slotte heeft
appellant bij brief van 30 augustus 2000 nog enige stukken in het geding
gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 november
2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.S. van
Zanten, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar gedaagde in
persoon is verschenen bijgestaan door mr. Rothkranz, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde bezit de Duitse nationaliteit en is in november 1994 met zijn
echtgenote vanuit Duitsland verhuisd naar Nederland. Tot zijn
pensionering per 1 januari 1995 is gedaagde werkzaam geweest als
beroepsmilitair in Duitsland en sindsdien ontvangt hij een
Versorgungsbezüge van de Wehrbereichsgebührnisamt III te Düsseldorf.
Op 27 mei 1997 heeft gedaagde een aanvraag om vrijstelling van de
verzekeringsplicht ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen
ingediend. Appellant heeft vervolgens bij het primaire besluit van 11
augustus 1997 de gevraagde vrijstelling met ingang van 27 mei 1997
verleend op grond van artikel 24 van het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, Stb. 164 (hierna:
KB 164). Het bezwaar van gedaagde, gericht tegen de ingangsdatum van de
vrijstelling, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft daarbij overwogen dat een hoorzitting achterwege gelaten
is, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond werd geacht.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, overwegende dat
appellant artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft
geschonden door gedaagde niet in de gelegenheid te stellen te worden
gehoord voordat op het bezwaar is beslist. Volgens de rechtbank was geen
sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar, zodat appellant op grond van
artikel 7:3 van de Awb niet kon afzien van het horen van gedaagde.
Verder is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat appellant het
rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, door buitenlandse migranten -
als gedaagde - niet op de hoogte te brengen van hun rechten en plichten
en hen in te lichten over de voor hen relevante regelgeving, en dat
daarin voldoende aanleiding is gelegen om een aanvaardbare onbekendheid
met de in KB 164 neergelegde regeling aan te nemen. De rechtbank heeft
appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en heeft
appellant daarbij in overweging gegeven toepassing te geven aan artikel
II van het op 21 oktober 1998 in werking getreden Besluit tot wijziging
van KB 164 van 2 september 1998, Stb. 597 (hierna: KB 597), waarin is
voorzien in de mogelijkheid van het verlenen van terugwerkende kracht
tot ten hoogste drie jaar voorafgaand aan de datum van een daartoe
strekkend verzoek aan een gegeven vrijstelling als bedoeld in artikel
24, derde lid, van KB 164 indien sprake is van een onbillijkheid van
overwegende aard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat op grond van artikel 7:3,
aanhef en onder b, van de Awb terecht is besloten af te zien van het
horen van gedaagde, nu het bezwaar gelet op artikel 24, derde lid, van
KB 164 en ´s Raads jurisprudentie met betrekking tot die bepaling,
terecht kennelijk ongegrond is. Verder heeft appellant aangevoerd dat er
geen sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel en dat er
geen enkele aanleiding is af te wijken van artikel 24, derde lid, van KB
164 met betrekking tot de ingangdatum van de vrijstelling.
Bij besluit van 17 maart 2000 heeft appellant afwijzend beslist op een
namens gedaagde op 1 december 1999 ingediend verzoek om de per 27 mei
1997 verleende vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de
volksverzekeringen op een eerdere datum te laten ingaan. Daarbij is
overwogen dat op grond van artikel II van KB 597 besloten kan worden tot
een eerdere vrijstellingsdatum indien toepassing van artikel 24, derde
lid, van KB 164 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, maar dat
daarvan geen sprake is indien wegens onbekendheid met de regelgeving
geen tijdige aanvraag om vrijstelling is ingediend.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad ziet zich in deze procedure allereerst gesteld voor de vraag of
op grond van artikel 6:19 juncto artikel 6:24 van de Awb bij de
beoordeling van het bestreden besluit ook het hiervoor genoemde besluit
van 17 maart 2000 moet worden betrokken. Deze vraag beantwoordt de Raad
ontkennend. Het besluit van 17 maart 2000 kan niet aangemerkt worden als
een besluit waarbij het bestreden besluit wordt gewijzigd, nu aan het
besluit van 17 maart 2000 een andere aanvraag ten grondslag ligt dan aan
het bestreden besluit en het besluit van 17 maart 2000 betrekking heeft
op het met ingang van 21 oktober 1998 gewijzigde artikel 24 van KB 164
en het bij die wijziging behorende overgangsrecht, waarbij andere
beoordelingsmaatstaven een rol hebben gespeeld dan bij het bestreden
besluit.
Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet gezegd worden dat het
besluit van 17 maart 2000 valt binnen de grondslag en reikwijdte van het
bestreden besluit, zodat geen sprake kan zijn van een besluit als
bedoeld in artikel 6:18 van de Awb.
Appellant heeft derhalve in het besluit van 17 maart 2000 terecht
aangegeven dat het een primair besluit betreft, waartegen bezwaar
mogelijk is. Het feit dat de griffier van de Raad bij brieven van 30
maart 2000 aan partijen heeft medegedeeld dat besloten is tevens een
oordeel te geven over dit besluit vermag de Raad niet tot een ander
oordeel te leiden, nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat die
mededeling gebaseerd is op een onjuiste kwalificatie van het besluit van
17 maart 2000. Het is thans aan appellant om de grieven van gedaagde,
zoals onder meer verwoord in de brief van zijn gemachtigde van 5 april
2000, te behandelen als bezwaarschrift tegen laatstgenoemd besluit.
Nu gedaagde in eerste aanleg alsnog heeft geageerd tegen het niet horen
in de bezwaarfase, dient beoordeeld te worden of appellant de hoorplicht
als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb heeft geschonden. Op grond van dit
artikel is appellant gehouden de belanghebbende in de gelegenheid te
stellen te worden gehoord, waarvan blijkens artikel 7:3 van de Awb
slechts kan worden afgezien in een beperkt aantal gevallen, onder meer
wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is. Zoals de Raad al eerder
heeft overwogen, onder meer in de uitspraken van 11 april 1995 en 29
juni 1995 (JB 1995/125 en
JB 1995/180), dienen de uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht
restrictief te worden gehanteerd, hetgeen betekent dat eerst van een
kennelijk ongegrond bezwaar gesproken kan worden wanneer uit het
bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en
er redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk is.
Met appellant en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan
die voorwaarde in dit geval was voldaan. Appellant heeft het primaire
besluit van 11 augustus 1997 gebaseerd op een dwingendrechtelijke
bepaling, hetgeen betekent dat appellant niet de bevoegdheid had een
andere ingangsdatum van de vrijstelling te hanteren. Nu door gedaagde in
bezwaar voorts slechts is gewezen op zijn onbekendheid met de wettelijke
regeling kon er, mede gelet op ´s Raads jurisprudentie met betrekking
tot artikel 24, derde lid, van KB 164, redelijkerwijs geen twijfel over
bestaan dat het bezwaar ongegrond was. Appellant heeft derhalve terecht
op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb ervan afgezien
gedaagde te horen alvorens op het bezwaar te beslissen.
Bij het bestreden besluit heeft appellant de ingangsdatum van gedaagdes
vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen
gebaseerd op artikel 24, derde lid, van KB 164, zoals dat artikel luidde
tot 21 oktober 1998. In dit artikellid is, met enige in dit geding niet
van belang zijnde uitzonderingen, bepaald dat de vrijstelling ingaat met
ingang van de datum van het verzoek om vrijstelling. Zoals de Raad reeds
eerder heeft overwogen, onder meer in de aan partijen bekende uitspraak
van 12 november 1997, nr. 96/11975 AOW (niet gepubliceerd), heeft
appellant niet de bevoegdheid om af te wijken van deze bepaling terzake
van het tijdstip van ingang van de vrijstelling. De door gedaagde
aangevoerde onbekendheid met de wettelijke regeling kan in ieder geval
niet tot een ander oordeel leiden. Voorts zijn door of namens gedaagde
geen bijzondere feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan
appellant niet meer gehouden zou zijn te achten toepassing te geven aan
de hiervoor genoemde dwingendrechtelijke bepaling. Daarbij merkt de Raad
nog op dat het op de weg van gedaagde had gelegen om zich voor of kort
na zijn vestiging in Nederland te laten informeren over de gevolgen
daarvan ten aanzien van - onder meer - de belasting- en premieheffing in
Nederland, ook na ingang van zijn pensionering.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de ingangsdatum van de
vrijstelling van de verzekeringsplicht terecht is gesteld op 27 mei
1997, de datum van het verzoek daartoe van gedaagde. Dit betekent dat
het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep alsnog ongegrond
verklaard dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. T.L. de Vries en
mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 januari
2002.
(get.) F.P. Zwart.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|