|
Uitspraak
01/957
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.] (Belgi๋), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 21 juli 1998 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat
hij niet bevoegd is om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet
(Anw).
Appellant heeft bij brief van 29 september 1998 tegen dit besluit
bezwaar gemaakt.
Gedaagde heeft bij besluit van 3 december 1998 dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft het bij beroepschrift van 10 januari 1999
door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 3 december 1998
(hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 22 december 2000
ongegrond verklaard.
Appellant heeft bij beroepschrift van 1 februari 2001 op daarin
aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft bij brief van 17 mei 2001 van verweer gediend.
Appellant heeft bij brief van 3 september 2001 nog een stuk ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van een Enkelvoudige Kamer van de
Raad op 20 februari 2002, waar appellant in persoon is verschenen en
waar namens gedaagde is verschenen mr. C.A.J. Mastenbroek.
II. MOTIVERING
De Raad dient in de eerste plaats (ambtshalve) te beoordelen of gedaagde
bij het bestreden besluit appellant terecht in zijn tegen het primaire
besluit van 21 juli 1998 gemaakte bezwaar heeft ontvangen. De Raad
overweegt dienaangaande als volgt.
Niet betwist is dat het primaire besluit ook op 21 juli 1998 aan
appellant door toezending per post bekend is gemaakt. Bij gebreke van
andersluidende aanwijzingen gaat ook de Raad uit van verzending van het
primaire besluit aan appellant op deze dag. Gelet hierop alsmede in
aanmerking genomen de dagtekening van het bezwaarschrift staat vast dat
appellant voor het maken van zijn bezwaar tegen het primaire besluit de
in de artikelen 6:7 tot en met 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) voorgeschreven termijn van 6 weken na bekendmaking van dat besluit
heeft overschreden. Appellant had dit in zijn bezwaarschrift kennelijk
ook zelf onderkend, nu hij daarin aangaf dat hij door afwezigheid
gedurende twee maanden op zijn adres in Belgi๋ niet binnen de gestelde
termijn van 6 weken bezwaar kon maken. Naar aanleiding van de
termijnoverschrijding bij het maken van bezwaar heeft gedaagde bij brief
van 19 oktober 1998 appellant verzocht de reden van de te late indiening
en van zijn afwezigheid mee te delen. Hierop heeft appellant bij brief,
ingekomen bij gedaagde op 3 november 1998, gedaagde meegedeeld dat hij
gedurende die 2 maanden een trektocht rond de Zwarte Zee heeft gemaakt
en dat normaal bij langere afwezigheid van appellant zijn post wordt
doorgestuurd of dat in dringende gevallen contact wordt gezocht maar dat
zulks bij een rondreis als deze welhaast onmogelijk is. Vervolgens heeft
gedaagde blijkens het bestreden besluit de termijnoverschrijding
gepardonneerd omdat hij het primaire besluit aan appellant had
toegezonden ondanks dat appellant in zijn brief van 21 januari 1998 al
had aangegeven dat hij in het voorjaar weer voor langere tijd naar het
buitenland zou gaan. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ten
slotte vastgesteld dat appellant zijn bezwaarschrift tegen het primaire
besluit te laat heeft ingediend en dat gedaagde deze
termijnoverschrijding verschoonbaar heeft geacht.
Met betrekking tot de vraag of gedaagde de bij het bestreden besluit
bedoelde termijnoverschrijding terecht met toepassing van artikel 6:11
van de Awb verschoonbaar heeft geacht overweegt de Raad dat hij hiervoor
geen plaats ziet om de in het bestreden besluit aangegeven reden. In de
eerste plaats blijkt uit de brief van 21 januari 1998 niet voor hoe lang
appellant in het buitenland zou verblijven. Voorts vormt verblijf in het
buitenland op zich in het algemeen geen belemmering voor een
bestuursorgaan om op een aanvraag van een betrokkene een besluit te
nemen en dit bekend te maken. Het ligt immers op de weg van de
betrokkene om in een dergelijk geval zodanige voorzorgsmaatregelen te
nemen dat gewaarborgd is dat bijvoorbeeld naar aanleiding van een hem
toegezonden besluit tijdig door of namens hem bezwaar - op al dan niet
nader aan te geven gronden - kan worden gemaakt.
Ter zitting is van de zijde van gedaagde evenwel nog gesteld dat de in
het bestreden besluit genoemde reden niet de enige grond voor gedaagde
was om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Van die zijde
is er namelijk op gewezen dat appellant in zijn op 30 januari 1998
gedateerde aanvraag vrijwillige AOW/Anw-verzekering een gemachtigde had
aangewezen om zijn belangen te behartigen en dat het primaire besluit
niet (tevens) aan die gemachtigde is toegezonden. Bij het daarop
betrekking hebbende onderdeel van de aanvraag is aangegeven dat in geval
van een machtiging alle correspondentie naar de gemachtigde wordt
gezonden, hetgeen in beginsel ook voortvloeit uit het in artikel 2:1 van
de Awb vastgelegde recht van een ieder zich ter behartiging van zijn
belangen in het verkeer met bestuursorganen te laten vertegenwoordigen
door een gemachtigde. Ter zitting verklaarde appellant evenwel dat de in
zijn aanvraag vermelde gemachtigde zijn vriendin is die hem vergezelde
op zijn reis rond de Zwarte Zee, zodat ook toezending van het primaire
besluit aan zijn vriendin in dit geval niet zou hebben gewerkt.
Gelet op deze verklaring van appellant is de Raad van oordeel dat in dit
geval ook het verzuim van gedaagde ten aanzien van de verzending van het
primaire besluit niet reeds tot de conclusie dient te leiden dat de in
geding zijnde termijnoverschrijding verschoonbaar dient te worden
geacht. In de gegeven omstandigheden acht de Raad het immers zonder meer
aannemelijk dat toezending van het primaire besluit mede of uitsluitend
aan de in de aanvraag aangewezen gemachtigde, die overigens niet zelf op
enig moment (alsnog) bezwaar heeft gemaakt namens appellant en van wie
ook overigens niet is gebleken - noch door eigen handelen noch door de
handelwijze van appellant zelf - dat zij in enige fase van de procedure
met betrekking tot de aanvraag van appellant ook daadwerkelijk als zijn
gemachtigde heeft gefungeerd, voor het tijdig maken van bezwaar niet tot
een ander resultaat zou hebben geleid. De Raad neemt daarbij in
aanmerking dat evenmin is gebleken dat de gemachtigde zodanige
voorzorgsmaatregelen heeft getroffen dat gewaarborgd was dat tijdig
bezwaar kon worden gemaakt, hetgeen voor risico van de appellant komt.
Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat appellant bij het
bestreden besluit ten onrechte in zijn bezwaar is ontvangen, zodat dit
besluit evenals de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
Doende wat gedaagde bij het bestreden besluit had behoren te doen - en
de rechtbank in de aangevallen uitspraak bij gebreke hiervan in het
bestreden besluit -, te weten het bezwaar van appellant
niet-ontvankelijk te verklaren, zal de Raad zelf voorzien in de zaak als
hierna in rubriek III is aangegeven.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en
vernietigt dat besluit;
Verklaart het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 21
juli 1998 niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde recht van 102,10
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2002.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|