|
Uitspraak
00/5478
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Zwitserland), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 30 december 1997 heeft gedaagde aan appellant een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter
hoogte van 54% van het pensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die
samenwoont.
Bij beslissing op bezwaar van 29 december 1998, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 30 december
1997 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 13 september 2000 het
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens heeft dr. E. Engelbrecht, wonende te Lausanne, namens
appellant bij aanvullend beroepschrift van 24 februari 2001, met
bijlagen, de gronden van het hoger beroep nader toegelicht. Gedaagde
heeft bij brief van 18 juni 2001 gereageerd op het aanvullend
beroepschrift.
Namens appellant heeft dr. Engelbrecht bij brief van 10 juli 2001, met
bijlagen, de gronden van het hoger beroep nog aangevuld. Ten slotte
heeft dr. Engelbrecht bij faxberichten van 6 en 8 april 2002 nadere
stukken aan de Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 april
2002, waar namens appellant is verschenen dr. Engelbrecht, voornoemd, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans
en mr. K.C.M. van Engelenhoven-Eijkelkamp, beiden werkzaam bij de
Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, die [in] 1933 is geboren en de Nederlandse nationaliteit
bezit, heeft tot in of omstreeks januari 1967 in Nederland gewoond en
woont sindsdien in Zwitserland. Na zijn vertrek uit Nederland heeft
appellant zich aangesloten bij de vrijwillige verzekering ingevolge de
AOW, welke verzekering hij ingaande 1 januari 1984 heeft beëindigd.
Op 6 juni 1997 heeft appellant een aanvraag om ouderdomspensioen
ingevolge de AOW ingediend bij gedaagde. Bij het in bezwaar gehandhaafde
besluit van 30 december 1997 heeft gedaagde ingaande 1 januari 1998 aan
appellant een ouderdomspensioen toegekend ter hoogte van 54% van het
pensioen voor een gehuwde. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat
appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW van 1 januari 1984
tot en met 18 januari 1998 en dat appellant niet voldoet aan de
voorwaarden voor toekenning van de zogenaamde overgangsvoordelen over
het tijdvak van zijn 15e verjaardag tot - de inwerkingtreding van de AOW
op - 1 januari 1957, omdat hij niet in Nederland woont.
De rechtbank heeft het beroep van appellant, dat uitsluitend gericht was
tegen de weigering de overgangsvoordelen aan hem toe te kennen,
ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant
op grond van de nationaal rechtelijke bepalingen niet in aanmerking komt
voor de overgangsvoordelen. Ten aanzien van het beroep van appellant op
de Overeenkomst inzake de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat van 27 mei 1970 (Trb. 1970, 200,
hierna: de Overeenkomst) heeft de rechtbank onder verwijzing naar de
uitspraak van de Raad van 25 februari 1998 (RSV 98/201) geoordeeld dat
dit beroep niet kan slagen omdat de Overeenkomst niet voorziet in
toekenning van (gedeeltelijke) overgangsvoordelen, ontleend aan
tijdvakken gedurende welke appellant in Nederland heeft gewoond. Verder
heeft de rechtbank overwogen dat een gelijkstelling van de Overeenkomst
met andere bilaterale verdragen respectievelijk overeenkomsten zoals
door appellant betoogd niet mogelijk is aangezien die andere verdragen
wel een bepaling bevatten waarin de overgangsvoordelen zijn geregeld.
In hoger beroep is namens appellant een beroep gedaan op het Tractaat
van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat van 19 augustus 1875 (Stb. 1878,
nr. 137), zoals gewijzigd bij Verdrag van 13/24 juni 1996 (Trb. 1996,
217). Appellant meent dat dit Tractaat van toepassing is op de sociale
zekerheidswetgeving en stelt dat op grond van de artikelen 1 en 4 van
het Tractaat burgers en onderdanen van Nederland en Zwitserland met
betrekking tot hun persoonlijke positie volledig gelijkgesteld moeten
worden met de burgers van de meest begunstigde natie en dat ieder
voorrecht dat door Nederland of Zwitserland is toegekend aan burgers van
een derde mogendheid ook toegekend moet worden aan burgers van die
landen. Dit betekent volgens appellant dat nu in bepaalde bilaterale
verdragen inzake sociale zekerheid, bijvoorbeeld in het verdrag tussen
Nederland en de Verenigde Staten van Amerika, wel is voorzien in een
regeling met betrekking tot de overgangsvoordelen, die regeling(en) op
grond van het Tractaat ook op hem toegepast dienen te worden. Daarbij
heeft appellant aangevoerd dat het Tractaat ook na de inwerkingtreding
van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Zwitserland en Nederland
van 28 maart 1958 (Trb. 1958, 65, hierna: het Verdrag) op 1 december
1958 en de Overeenkomst op 1 juli 1971, van toepassing is gebleven op de
sociale zekerheidswetgeving.
Verder heeft appellant aangevoerd dat op grond van artikel 23 van de
Overeenkomst, bezien in het licht van het Tractaat, aanspraak bestaat op
de overgangsvoordelen. De uitdrukking "elk tijdvak van wonen"
in het derde lid van dat artikel heeft volgens appellant ook betrekking
op de wooneisen als bedoeld in de artikelen 55 en 56 van de AOW. Tevens
heeft appellant een beroep gedaan op artikel 9 van het aanvullend
protocol bij het Verdrag en artikel 4 van het slotprotocol bij de
Overeenkomst. Ter ondersteuning van zijn stellingen heeft appellant
verwezen naar een uitspraak van de Raad van 12 juni 1979 (RSV 1979/258),
waarin is overwogen, dat de Overeenkomst beschouwd moet worden als een
overeenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van het
Koninklijk besluit van 18 oktober 1968, Stb. 575 (hierna: KB 575).
Voorts heeft appellant aangevoerd dat op grond van de met ingang van 1
januari 2000 ingevoerde artikelen 8a en 9a van de AOW bepaalde in het
buitenland wonende pensioengerechtigden, waaronder in Zwitserland
wonenden, worden aangemerkt alsof zij in Nederland wonen. Appellant
meent dat hij op grond van deze artikelen in ieder geval vanaf 1 januari
2000 voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de
overgangsvoordelen. Appellant heeft ook nog gewezen op de Overeenkomst
tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten en de Zwitserse
Bondsstaat over het vrije verkeer van personen van 21 juni 1999 (Trb.
2000, 16) en op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen inzake de belemmering van het vrije verkeer van personen.
Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat gedaagde in strijd met het
bepaalde in de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft geweigerd alle
benodigde documenten en gegevens aan hem ter beschikking te stellen.
De Raad overweegt het volgende.
Met betrekking tot de grief van appellant omtrent het verzuim van
gedaagde ten aanzien van de toezending van door appellant gevraagde
documentatie en gegevens, merkt de Raad allereerst op dat gedaagde alle
op dit geschil betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding heeft gebracht,
zodat van een schending van dit artikel geen sprake is. Appellant heeft
kennelijk met een beroep op de Wob aan gedaagde verzocht meer gegevens
omtrent wetgeving en verdragen aan hem toe te zenden. De Raad stelt vast
dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op de gestelde weigering
van gedaagde die gegevens aan appellant te verstrekken, zodat de Raad
daaromtrent geen oordeel kan geven. Daarbij merkt de Raad nog op dat hij
gelet op artikel 18 van de Beroepswet niet bevoegd is te oordelen - in
hoger beroep - over geschillen met betrekking tot de Wob.
Verder stelt de Raad vast dat het geschil ook in hoger beroep zich
overigens beperkt tot de vraag of appellant een AOW-pensioendeel kan
ontlenen aan het tijdvak gelegen vóór 1 januari 1957, de datum van
inwerkingtreding van de AOW, en wel vanaf het bereiken van de leeftijd
van 15 jaar [in] 1948. Tussen partijen is daarbij niet in geschil dat
appellant op grond van de artikelen 55 en 56 van de AOW geen aanspraak
heeft op de overgangsvoordelen, omdat hij op en na zijn 65e verjaardag
niet in Nederland woont en zijn wonen in Zwitserland niet op grond van
het Koninklijk besluit van 3 december 1985, Stb. 632, gelijkgesteld kan
worden met wonen in Nederland.
Ten aanzien van het beroep van appellant op de Overeenkomst stelt de
Raad, onder verwijzing naar zijn hiervoor genoemde uitspraak van 25
februari 1998, welke is bevestigd door de Hoge Raad bij arrest van 17
februari 1999 (USZ 99/108), vast dat de Overeenkomst niet voorziet in
toekenning van (gedeeltelijke) overgangsvoordelen, ontleend aan
tijdvakken gedurende welke de belanghebbende vóór 1 januari 1957 in
Nederland heeft gewoond of in Nederland arbeid heeft verricht. Evenmin
bevat de Overeenkomst bepalingen op grond waarvan appellant geacht kan
worden te voldoen aan de in het nationale recht gelegen voorwaarden voor
toekenning van overgangsvoordelen. In die uitspraak heeft de Raad verder
reeds overwogen dat artikel 4, eerste volzin, van de Overeenkomst
blijkens zijn duidelijke bewoordingen en de toelichtende nota bij de
aanbieding van de Overeenkomst ter goedkeuring aan de Staten-Generaal
inhoudt dat, indien eenmaal is voldaan aan de in de nationale wetgeving
gelegen voorwaarden voor een aanspraak op uitkering, deze ook op het
grondgebied van de andere partij kan worden genoten. Verder is overwogen
dat artikel 23, derde lid, van de Overeenkomst een overgangsbepaling is
welke een regeling bevat voor het in aanmerking nemen van tijdvakken,
gelegen voor de inwerkingtreding van de Overeenkomst, bij het
vaststellen van aanspraken met toepassing van de Overeenkomst. Deze
bepaling ziet derhalve uitsluitend op situaties waarin de vaststelling
van de aanspraak op een uitkering geschiedt overeenkomstig bepalingen
van de Overeenkomst. Een zodanige situatie is hier niet aan de orde, nu
de Overeenkomst geen bepalingen kent omtrent de vaststelling van het
ouderdomspensioen. Verder voorziet dit artikellid uitsluitend in het in
aanmerking nemen van verzekerde (of daarmee gelijkgestelde) tijdvakken
en tijdvakken van wonen ingevolge de wetgeving van Nederland of
Zwitserland. Dit betekent dat sprake moet zijn van een als zodanig
aangemerkt tijdvak bepalend voor de aanspraak op uitkering ingevolge die
nationale wetgeving. Daarvan is in dit geval geen sprake nu ingevolge de
AOW vóór 1 januari 1957 geen verzekerde tijdvakken kunnen bestaan en
aan de voorwaarden van de artikelen 55 en 56 van de AOW, op grond
waarvan jaren vóór 1957 als verzekerd aangemerkt kunnen worden, niet
wordt voldaan door appellant.
Het beroep van appellant op artikel 9 van het aanvullend protocol bij
het Verdrag en artikel 4 van het slotprotocol bij de Overeenkomst vermag
de Raad niet tot een ander oordeel te brengen, aangezien die bepalingen
uitsluitend betrekking hebben op voordelen in het nationale recht
toegekend aan onderdanen van andere landen. De door appellant in dit
verband genoemde (overgangs)voordelen verkregen op grond van bilaterale
en andere verdragen zijn immers niet op grond van het nationale recht
toegekend, aangezien deze verdragen behoren tot het internationale
recht, dat ook deel uitmaakt van de Nederlandse rechtsorde.
Ten aanzien van het Tractaat stelt de Raad voorop dat in 1875 toen dit
Tractaat is gesloten in ieder geval in Nederland nog geen sociale
verzekeringswetgeving bestond. In artikel 1 van het Tractaat is voorzien
in een gelijke behandeling van wederzijdse onderdanen ten aanzien van
"het verblijf en de vestiging, de uitoefening van den handel, de
nijverheid en de beroepen, de betaling der belastingen, de uitoefening
der godsdiensten, het regt om allerlei roerende en onroerende
eigendommen te verkrijgen en daarover te beschikken bij koop, verkoop,
schenking, ruil, laatste wilsbeschikking en erfopvolging bij
versterf." Uit deze omschrijving van het toepassingsbereik van het
Tractaat blijkt reeds dat sprake is van een beperking ervan tot de
genoemde onderwerpen. Nu deze bepaling in het Tractaat nadien niet is
gewijzigd, ook niet bij de wijzigingen van het Tractaat in 1996, is de
Raad van oordeel dat vooralsnog niet valt in te zien dat het
toepassingsbereik van het Tractaat uitgebreid zou moeten worden tot
mogelijke aanspraken op grond van de sociale zekerheidswetgeving.
Verder stelt de Raad vast dat tussen Nederland en Zwitserland in 1958
het Verdrag is gesloten, waarin specifieke bepalingen zijn opgenomen
omtrent de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving, waaronder de
AOW, op wederzijdse onderdanen, welk Verdrag ingaande 1 juli 1971 is
vervangen door de Overeenkomst, waarin soortgelijke bepalingen zijn
opgenomen. De Raad is van oordeel dat zelfs als aangenomen zou moeten
worden dat het Tractaat relevant zou kunnen zijn voor - onderdelen van -
de sociale zekerheidswetgeving, de werking ervan ten aanzien van de
sociale zekerheidswetgeving zich slechts uitstrekt tot 1958, nu uit het
later gesloten Verdrag en de Overeenkomst blijkt dat het de bedoeling
van Nederland en Zwitserland was de materie van de sociale zekerheid
door het Verdrag en de Overeenkomst te regelen. Daarbij merkt de Raad
nog op dat niet is gebleken dat in het Tractaat ten aanzien van de
sociale zekerheidswetgeving onderwerpen zijn geregeld die niet in het
Verdrag en de Overeenkomst zijn opgenomen. Dit betekent dat, nu voor de
beoordeling van de aanspraak op overgangsvoordelen bepalend is de
wetgeving zoals die luidt op of na het bereiken van de leeftijd van 65
jaar, aan het Tractaat in deze procedure in ieder geval geen betekenis
kan worden toegekend.
Ten aanzien van het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van
12 juli 1979 merkt de Raad op dat in die uitspraak is overwogen dat de
Overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst gesloten met
een staat welke bijzondere bepalingen bevat inzake takken van
verzekering als bedoeld in de aanhef van artikel 1 van KB 575, waar
onder meer de AOW is genoemd. Op grond van artikel 1, aanhef en onder j,
van KB 575 wordt een persoon die buiten Nederland woont, in een land
waarmee Nederland een overeenkomst als hiervoor bedoeld heeft gesloten,
en die een bepaalde Nederlandse uitkering ontvangt, onder bepaalde
voorwaarden als verzekerd ingevolge de AOW aangemerkt. Deze bepaling en
soortgelijke bepalingen in andere door appellant genoemde (op KB 575
volgende) besluiten inzake de uitbreiding van de kring van verzekerden
voor de volksverzekeringen, hebben alle betrekking op de verzekering ten
aanzien van tijdvakken waarin de betrokkene een bepaalde Nederlandse
uitkering ontving. Aan deze bepaling(en) kan appellant derhalve geen
aanspraak ontlenen op de overgangsvoordelen.
Ook het beroep van appellant op de artikelen 8a en 9a van de AOW vermag
de Raad niet tot een ander oordeel te brengen. Deze artikelen zijn
ingaande 1 januari 2000 bij de Wet beperking export uitkeringen (Wet van
27 mei 1999, Stb. 250, nadien gewijzigd) ingevoegd en voorzien in een
beperking van de export van toeslagen ingevolge de AOW en - in afwijking
van artikel 9 van de AOW - in een beperking van - de hoogte van - de
aanspraak op AOW-pensioen voor personen wonend buiten Nederland. In het
vierde lid van artikel 9a van de AOW is bepaald dat de Minister landen
bekend maakt "waarin op grond van een verdrag of een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie recht op ouderdomspensioen bestaat
alsof de pensioengerechtigde in Nederland woont". Deze bepaling
houdt slechts in dat de Minister vaststelt in welke gevallen op grond
van een verdrag, de in artikel 9a, eerste tot en met derde lid, van de
AOW voorziene afwijking van artikel 9 van de AOW niet wordt toegepast.
Op grond van het vierde lid van artikel 9a van de AOW kan appellant
derhalve niet voor de toepassing van de artikelen 55 en 56 van de AOW
geacht worden in Nederland te wonen. Zulks te minder nu in artikel 57
van de AOW is voorzien in een specifieke regeling voor de gelijkstelling
met wonen in Nederland voor de toepassing van laatstgenoemde artikelen.
Ten aanzien van het door appellant genoemde Overeenkomst tussen
Zwitserland en de Europese Gemeenschap stelt de Raad vast dat deze
Overeenkomst nog niet in werking is getreden, zodat appellant daaraan
thans nog geen rechten kan ontlenen. Zulks geldt evenzeer voor de door
appellant genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie EG.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan
slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei
2002.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|