|
Uitspraak
01/6056
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Zwitserland), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij primair besluit van 1 november 2000 het verzoek van
appellant om herziening van het eerder toegekende recht op
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) afgewezen.
Bij beslissing op bezwaar van 28 februari 2001, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 1 november
2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 18 oktober 2001 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak bij de Raad op bij aanvullend
beroepschrift - met bijlagen - aangevoerde gronden in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 18 maart 2002 heeft appellant nog een nadere toelichting
gegeven op het aanvullend beroepschrift.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 april
2002, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans en mr. K.C.M. van
Engelenhoven-Eijkelkamp, beiden werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft aan appellant met ingang van 1 januari 1995 een
ouderdomspensioen krachtens de AOW toegekend, welke toekenning in rechte
is komen vast te staan. Gedaagde heeft op dat pensioen een korting
toegepast, onder meer omdat appellant in de periode van 1 maart 1982 tot
31 augustus 1983 niet verzekerd is geweest.
Bij brief van 7 oktober 2000 - met bijlage - heeft appellant aan
gedaagde verzocht om bovengenoemde periode alsnog bij de berekening van
zijn pensioen te betrekken, en het eerder toegekende pensioen te
herzien. Appellant heeft daarbij aangevoerd dat hij in genoemde periode
werkzaam was voor de Europese Octrooi Organisatie (hierna: EOO), doch
dat hij in verband met die werkzaamheden geen pensioen ontvangt wegens
de te korte duur van zijn dienstverband. Dit verzoek is bij primair
besluit van 1 november 2000 afgewezen omdat er geen sprake was van nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Bij het bestreden besluit
is die afwijzing gehandhaafd, waarbij gedaagde ook heeft overwogen dat
de evidente onjuistheid van het eerdere besluit niet is aangetoond.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven. Verder
heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde niet van het horen van
appellant had mogen afzien, doch de rechtbank heeft deze schending van
de hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) gepasseerd.
Appellants bezwaren in hoger beroep komen er kort gezegd op neer dat nu
hij geen recht heeft op pensioen uit hoofde van zijn werkzaamheden bij
de EOO, bij de berekening van zijn ouderdomspensioen ingevolge de AOW
ten onrechte geen rekening is gehouden met de periode dat hij bij de EOO
werkzaam was. In verband daarmee is door appellant een beroep gedaan op
het Koninklijk besluit van 3 mei 1989, Stb. 164, hierna: KB 164, en het
Koninklijk besluit van 2 januari 1999, Stb. 746, hierna: KB 746.
De Raad overweegt als volgt.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde geweigerd terug te komen van
een eerder rechtens onaantastbaar geworden besluit. Voor zover gedaagde
daarbij gebruik heeft gemaakt van de in artikel 4:6, tweede lid, van de
Awb neergelegde aan het bestuursorgaan toekomende bevoegdheid, is de
Raad van oordeel dat in het midden kan en zal worden gelaten het
antwoord op de vraag of door appellanten feiten en omstandigheden zijn
aangedragen als bedoeld in dat artikel, nu gedaagde aan die weigering
(mede) een min of meer inhoudelijke beoordeling ten grondslag heeft
gelegd. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient de rechter een
dergelijke weigering te eerbiedigen, tenzij aan dat eerdere besluit
dusdanige gebreken kleven of zich dusdanige omstandigheden hebben
voorgedaan dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid had mogen
weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken. Daarbij ligt het op de
weg van degene die het verzoek doet om feiten en omstandigheden aan te
dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en
evenmin als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht, dan
wel de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.
Gelet op het hiervoor overwogene kan ook hier in het midden worden
gelaten het antwoord op de vraag of door appellant feiten en
omstandigheden als hiervoor bedoeld zijn aangedragen. De Raad is van
oordeel dat hetgeen door appellant is aangevoerd voor gedaagde geen
aanleiding hoefde te vormen het eerdere besluit te herzien door alsnog
de periode van 1 maart 1982 tot 31 augustus 1983 bij de berekening van
het AOW- pensioen te betrekken.
Ten tijde hier in geding was op appellant van toepassing het Koninklijke
Besluit van 19 oktober 1976, Stb. 557. Ingevolge artikel 2, eerste lid,
sub g van dit KB wordt niet als verzekerde in de zin van de AOW
aangemerkt degene, die binnen het Rijk verblijf houdt op wie een
regeling inzake uitkering wegens ouderdom, overlijden en langdurige
arbeidsongeschiktheid alsmede inzake kinderbijslag van een
volkenrechtelijke organisatie van toepassing is, in de gevallen door
Onze Ministers en Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen. De
EOO is één van de aangewezen organisaties.
Blijkens de brief van 17 november 1992 van de EOO was op appellant
gedurende de periode dat hij werkzaam was voor die organisatie de
regeling inzake overlijden, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en
kinderbijslag van de EOO van toepassing. Dit betekent dat appellant toen
op grond van artikel 2, eerste lid, sub g van KB 557 niet verzekerd was
ingevolge de AOW. De Raad is met de rechtbank en gedaagde van oordeel
dat daaraan niet afdoet dat appellant als gevolg van een te korte
verzekeringsduur uiteindelijk geen recht op pensioen op grond van de
regeling van de EOO heeft gekregen. Voornoemde bepaling noemt slechts
het van toepassing zijn van een regeling inzake uitkering wegens onder
andere ouderdom als grondslag voor de uitsluiting van de verzekering, en
stelt niet de voorwaarde dat daadwerkelijk (een duurzame) uitkering moet
worden genoten.
Het beroep van appellant op KB 164 treft geen doel, reeds omdat dit KB
pas op 1 juli 1989 in werking is getreden en geen voor dit geding
relevante terugwerkende kracht heeft, zodat het ten tijde hier in geding
niet van toepassing was. Hetzelfde geldt ook voor het beroep van
appellant op KB 746.
Gelet hierop komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit de
vorenbedoelde beperkte toetsing kan doorstaan.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de
aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden
bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb
acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T. L. de
Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei
2002.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|