|
Uitspraak
01/1228
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Zwitserland), appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 april 2000 heeft gedaagde het verzoek van appellante
om herziening van het aan haar bij besluit van 22 juni 1995 toegekende
ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW), ter hoogte
van 20% van het ouderdomspensioen voor een ongehuwde die niet duurzaam
een gezamenlijke huishouding voert, afgewezen.
Gedaagde heeft bij besluit van 28 juli 2000 (het bestreden besluit) het
tegen het besluit van 11 april 2000 gemaakte bezwaar wegens
overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 19 december 2000 het
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk
verklaard omdat dit beroep voortijdig was ingesteld.
Namens appellante is dr. E. Engelbrecht op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden, met bijlagen, van deze uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft de Raad bij schrijven van 26 juni 2001 medegedeeld zich
te conformeren aan het oordeel van de rechtbank en geen verweerschrift
in te dienen.
Namens appellante zijn bij brief van 10 juli 2001 nog enige stukken in
het geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad,
gehouden op 17 april 2002, waar namens appellante is verschenen haar
gemachtigde dr. Engelbrecht, voornoemd, en gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans en mr. K.C.M. van
Engelenhoven-Eijkelkamp, beiden werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde heeft appellante bij besluit van 22 juni 1995 met ingang van 1
januari 1995 een ouderdomspensioen krachtens de AOW toegekend ter hoogte
van 20% van het ouderdomspensioen voor een ongehuwde die niet duurzaam
een gezamenlijke huishouding voert, zijnde f 285,91 (€ 129,74) bruto
per maand, zonder haar in het genot te stellen van de overgangsvoordelen
ingevolge de artikelen 55 en 56 van de AOW.
Bij schrijven van 16 februari 2000 heeft appellante gedaagde verzocht om
herziening van het haar bij besluit van 22 juni 1995 toegekende recht op
ouderdomspensioen ingevolge de AOW en heeft zij gedaagde verzocht om
alsnog in het genot te worden gesteld van de overgangsvoordelen.
Gedaagde heeft dit verzoek bij besluit van 11 april 2000 afgewezen,
onder handhaving van zijn beslissing van 22 juni 1995.
Appellante heeft bij brief van 14 juli 2000 bezwaar gemaakt tegen het
besluit van 11 april 2000. In haar schrijven heeft appellante erkend de
termijn voor het indienen van een bezwaarschrift te hebben overschreden,
maar heeft zij ter rechtvaardiging hiervan erop gewezen dat zij pas
recentelijk bekend is geworden met voor haar zaak relevante
jurisprudentie.
Gedaagde heeft het bezwaar hierop bij het bestreden besluit
niet-ontvankelijk verklaard, daartoe stellende dat het bezwaarschrift
dat gedateerd was op 14 juli 2000, en welke blijkens de poststempel op
13 juli 2000 is verzonden, is ingediend na afloop van de bezwaartermijn
die op 24 mei 2000 eindigde, en dat op grond van de beschikbare gegevens
redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim
is geweest.
Appellante is bij schrijven van 28 juni 2000 bij de rechtbank in beroep
gekomen tegen de weigering van gedaagde haar de overgangsvoordelen
ingevolge de AOW toe te kennen.
Bij schrijven van 31 juli 2000 heeft appellante gedaagde in reactie op
het besluit van 28 juli 2000 medegedeeld dat de reden voor de
overschrijding van de bezwaartermijn gelegen was in de omstandigheid dat
haar post wegens een meer dan een maand durend familiebezoek in de
Verenigde Staten en een daaropvolgende grote verbouwing van haar huis is
blijven liggen. Appellante heeft gedaagde voorts medegedeeld dat zij
reeds beroep had ingesteld bij de rechtbank. Gedaagde heeft vervolgens
na een telefonisch onderhoud met appellante, waarin zij bevestigde bij
de rechtbank beroep te hebben ingesteld, vastgesteld dat de brief van 31
juli 2000 niet als beroepschrift naar de rechtbank doorgezonden behoefde
te worden.
De rechtbank heeft het op 28 juni 2000 gedateerde beroep van appellante
wegens het voortijdig instellen daarvan niet-ontvankelijk verklaard,
daarbij oordelende dat niet gesteld of gebleken is dat ten tijde van de
indiening van het beroepschrift het bestreden besluit van 28 juli 2000
reeds tot stand was gekomen, noch dat ten tijde van de indiening van het
beroepschrift het bestreden besluit nog niet tot stand was gekomen maar
appellante redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
In hoger beroep is namens appellante gesteld dat haar schrijven van 16
februari 2000 (door gedaagde opgevat als een verzoek om herziening) een
bezwaarschrift is en gedaagdes besluit van 11 april 2000 niet kan worden
aangemerkt als een beschikking op bezwaar nu zij voorafgaande aan deze
beschikking niet is gehoord en deze beschikking evenmin is uitgegaan van
de Sectie Bezwaar en Beroep. Gedaagdes besluit van 28 juli 2000 kan op
voormelde gronden evenmin als een beschikking op het bezwaarschrift
worden aangemerkt, waarbij namens appellante voorts is opgemerkt dat
gedaagde haar nooit heeft gevraagd naar de reden van overschrijding van
de bezwaartermijn. Gedaagde heeft, aldus appellante, derhalve in strijd
met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld, en
appellante was als gevolg van het uitblijven van een rechtsgeldig
besluit op bezwaar binnen de daarvoor geldende termijn bevoegd bij de
rechtbank in beroep te gaan.
De Raad overweegt als volgt.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep bij de rechtbank
stelt de Raad dat gedaagde ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) de plicht had het schrijven van
appellante van 31 juli 2000 zo spoedig mogelijk door te zenden naar de
rechtbank, ongeacht de vraag of appellante daadwerkelijk eerder beroep
had ingesteld bij de rechtbank. Naar het oordeel van de Raad ontslaat de
door appellante in haar brief van 31 juli 2000 gedane, en later
telefonisch bevestigde, mededeling dat zij reeds beroep had ingesteld
bij de rechtbank gedaagde niet van de in voornoemd artikel opgelegde
verplichting. De Raad merkt in dit verband op dat indien gedaagde dit
schrijven zo spoedig mogelijk na ontvangst aan de rechtbank had
doorgezonden, het beroep tijdig was geweest nu de termijn voor het
indienen van beroep tegen het besluit van 28 juli 2000 eindigde op 8
september 2000.
De Raad is derhalve van oordeel dat het beroep bij de rechtbank
ontvankelijk is en de rechtbank had moeten beoordelen of het bezwaar
ontvankelijk was.
De aangevallen uitspraak kan daarom niet in stand worden gelaten. De
Raad zal met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet de zaak niet
terugwijzen maar zelf afdoen, omdat naar zijn oordeel geen nadere
behandeling van de zaak door de rechtbank noodzakelijk is.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 april
2000 wegens overschrijding van de bezwaartermijn (kennelijk) niet
ontvankelijk verklaard. Gelet op het gestelde in appellantes brief van
14 juli 2000 is niet in geding dat de termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift is overschreden. Partijen verschillen wel van mening over
de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
Dienaangaande overweegt de Raad dat de door appellante ter verschoning
van de overschrijding van de bezwaartermijn genoemde redenen, dat het
haar naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie duidelijk is geworden dat
zij moest procederen en dat haar post, waaronder het besluit van 11
april 2000, wegens een meer dan een maand durend familiebezoek in de
Verenigde Staten en een daaropvolgende grote verbouwing van haar huis is
blijven liggen, niet kunnen worden aangemerkt als redenen op grond
waarvan de overschrijding van de bezwaartermijn voor verschoonbaar moet
worden gehouden. De Raad merkt voorts op dat gelet op hetgeen appellante
in haar bezwaarschrift van 14 juli 2000 heeft aangevoerd, dat het haar
pas naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie duidelijk is geworden dat
zij moest procederen, gedaagde terecht toepassing heeft gegeven aan
artikel 7:3 van de Awb en er voor gedaagde geen aanleiding was
appellante te vragen naar de reden van de termijnoverschrijding.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen
uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog
ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep.
Ten slotte acht de Raad, gelet op artikel 25, tweede lid, van de
Beroepswet termen aanwezig te bepalen dat gedaagde het door appellante
betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 77.14 (voorheen: f 170,-)
aan haar dient te vergoeden.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond:
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,- te betalen aan appellante:
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van €
77.14 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei
2002.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|