|
Uitspraak
99/3258
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 3 juli 1998 heeft gedaagde het aan appellante toegekende
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang
van 1 juli 1998 herzien naar 65,04% van het maximale AOW-pensioen voor
een ongehuwde en daarnaast het aan haar over de periode van juli 1997
tot en met juni 1998 toegekende AOW-pensioen herberekend. Gedaagde heeft
appellante voorts medegedeeld dat zij nog recht heeft op het verschil
tussen het herberekende AOW-pensioen en het aan haar uitbetaalde
AOW-pensioen, een bedrag groot f 116,18 ( 52,72).
Bij beslissing op bezwaar van 11 september 1998, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde het tegen het besluit van 3 juli 1998 gemaakte
bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 10 mei 1999 het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante is op bij beroepschrift van 8 juni 1999 aangevoerde gronden
van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft in verweer verwezen naar hetgeen door hem is aangevoerd
in het bestreden besluit, in zijn verweerschrift van 4 januari 1999 in
eerste aanleg, in de pleitnotities van 17 maart 1999 en in zijn brief
van 6 april 1999 aan de rechtbank.
Appellante heeft de Raad bij schrijven van 1 februari 2000, met
bijlagen, een reactie op dat verweerschrift doen toekomen en bij
schrijven van 9 juni 2000 nog enige stukken in het geding gebracht.
Bij brief van 18 januari 2001, met bijlagen, heeft J.Ph. Brouwer,
juridisch adviseur te Schiedam, zich als gemachtigde van appellante
gesteld en de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Appellante heeft de Raad bij schrijven van 8 maart 2002 nog enige
stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 mei
2002, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door haar
gemachtigde J.Ph. Brouwer en gedaagde, met kennisgeving, niet is
verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagdes rechtsvoorganger heeft appellante ingaande 1 februari 1987 een
ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend ter grootte van 82% van het
maximale pensioen voor een ongehuwde. Aan appellante is tevens met
ingang van 2 april 1992 een ouderdomspensioen toegekend ingevolge de
sociale wetgeving van Nieuw-Zeeland. In verband met laatstgenoemd
pensioen heeft gedaagde het AOW-pensioen van appellante op grond van de
Overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en Nieuw-Zeeland (Trb. 1990, 176 en 1991, 97, hierna: de
Overeenkomst) nader vastgesteld, laatstelijk met ingang van 1 april 1997
op 58,90% van het pensioen voor een ongehuwde.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 juli 1998 heeft gedaagde
het AOW-pensioen van appellante ingaande juli 1998 nader vastgesteld op
65,04% van het pensioen voor een ongehuwde en daarnaast haar
AOW-pensioen over het tijdvak van juli 1997 tot en met juni 1998
herberekend, waarbij haar pensioen ingaande 1 juli 1997 nader is
vastgesteld op 56,99%, ingaande 1 oktober 1997 op 56,87%, ingaande 1
januari 1998 op 61,44%, ingaande 1 april 1998 op 61,68% en ingaande 1
mei 1998 op 62,95% van het maximale pensioen voor een ongehuwde. Daarbij
heeft gedaagde overwogen dat op grond van artikel 15, vierde lid, van de
Overeenkomst in gevallen waarin het totaal van de Nederlandse en
Nieuw-Zeelandse pensioenen hoger is dan het maximumbedrag van het
Nederlandse AOW-pensioen, het deel van het Nederlands pensioen dat
gebaseerd is op vσσr 1957 liggende fictieve verzekeringstijdvakken
(het zogenaamde overgangsvoordeel), wordt verminderd met het verschil
tussen dit totaalbedrag en het maximumbedrag van het Nederlandse
AOW-pensioen. Gedaagde heeft appellante medegedeeld dat de hiervoor
genoemde vermindering jaarlijks opnieuw wordt beoordeeld aan de hand van
koersschommelingen van de Nieuw-Zeelandse dollar ten opzichte van de
Nederlandse gulden en de aanpassing van beide pensioenen. Bij de
omrekening van het Nieuw-Zeelandse pensioen naar Nederlandse guldens
wordt gebruik gemaakt van fictieve kwartaalkoersen. Op grond van de
herberekening van appellantes AOW-pensioen over het tijdvak van juli
1997 tot en met juni 1998 heeft gedaagde vastgesteld dat appellante nog
recht heeft op f 116,18 ( 52,72).
Bij brief van 6 april 1999 heeft gedaagde de rechtbank desgevraagd
uiteengezet om welke redenen hij bij de herberekening van het
AOW-pensioen vast houdt aan fictieve kwartaalkoersen en voor de
aftopping van het AOW-pensioen van appellante niet uitgaat van haar
Nieuw-Zeelandse pensioen zoals dat door het Nieuw-Zeelandse orgaan in
Nederlandse guldens is uitgedrukt of is overgemaakt. Gedaagde heeft
hierin onder meer aangegeven dat nu de Overeenkomst geen nadere
bepalingen kent voor de omrekening van de Nieuw-Zeelandse dollar en het
instrument 'fictieve kwartaalkoersen' voor de omrekening van valuta een
brede toepassing kent in andere verdragen en in artikel 107 van
EG-Verordening nr. 574/72, het uit het oogpunt van gelijkheid in de rede
ligt dat de Sociale Verzekeringsbank ook bij de omrekening van de
Nieuw-Zeelandse dollar fictieve wisselkoersen hanteert. Blijkens de
jurisprudentie (de Raad merkt hierbij op dat gedaagde kennelijk heeft
bedoeld te verwijzen naar zijn uitspraak van 28 februari 1996, 1993/85
AOW) geniet de Sociale Verzekeringsbank bij de toepassing van artikel
15, vierde lid, van de Overeenkomst een zekere beleidsvrijheid.
Daarnaast vindt het gebruik van fictieve kwartaalkoersen tevens
toepassing in het Inkomens- en samenloopbesluit Anw en het
Inkomensbesluit AOW en is deze berekeningsmethode vanuit het oogpunt van
het beheersbaar houden van de uitvoeringskosten noodzakelijk. Door de
Sociale Verzekeringsbank kan tot slot op grond van het door hem ontwikkelde
hardheidsbeleid altijd worden afgeweken van het gebruik van fictieve
wisselkoersen.
De rechtbank heeft hierop het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe
overwogen dat zij zich kan verenigen met de door gedaagde in zijn brief
van 6 april 1999 uiteengezette redenen en dat de beleidsbepaling van
gedaagde ten aanzien van de wijze van omrekening van het Nieuw-Zeelandse
pensioen aan de hand van fictieve kwartaalkoersen niet kennelijk
onredelijk of anderszins rechtens onjuist is.
De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat niet is kunnen blijken dat
gedaagde bij de herberekening van het AOW-pensioen van appellante over
de periode van juli 1997 tot juni 1998 onjuiste koersen heeft
gehanteerd. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming tot slot in
aanmerking genomen dat gedaagde voor uitzonderlijke gevallen een
hardheidsbeleid heeft ontwikkeld.
Appellante heeft in hoger beroep opnieuw de door gedaagde bij de
berekening van de aftopping in het kader van artikel 15, vierde lid, van
de Overeenkomst gebruikte wisselkoerssystematiek, gebaseerd op fictieve,
gemiddelde kwartaalkoersen van drie maanden oud, betwist. Nu het door
het Nieuw-Zeelandse orgaan toekende pensioen wordt
uitgekeerd/overgemaakt in Nederlandse guldens, dient hiervan uit te
worden gegaan bij de aftopping van haar AOW-pensioen.
De Raad overweegt het volgende.
In deze procedure is tussen partijen alleen in geschil of de wijze
waarop gedaagde bij het bestreden besluit, gelet op de koersfluctuaties
van de Nieuw-Zeelandse dollar, toepassing heeft gegeven aan artikel 15,
vierde lid, van de Overeenkomst in rechte stand kan houden. Deze
bepaling luidt aldus:
"Wanneer de som van het bedrag van de Nederlandse
ouderdomsuitkering overeenkomstig deze Overeenkomst of overeenkomstig de
Nederlandse Algemene Ouderdomswet en het bedrag van het Nieuw-Zeelandse
gewaarborgde ouderdomspensioen of veteranenpensioen krachtens deze
Overeenkomst of de Nieuw-Zeelandse wetgeving voor een persoon die in
Nederland woont, hoger is dan het maximumbedrag overeenkomstig de
Nederlandse Algemene Ouderdomswet, past het Nederlandse orgaan zijn
uitkering aan met een bedrag dat gelijk is aan het surplus."
Voorts is in het vijfde lid van dit artikel bepaald dat de vermindering
van het pensioen geen betrekking heeft op het bedrag dat is gebaseerd op
de verzekeringstijdvakken vanaf 1 januari 1957.
In de hiervoor reeds genoemde uitspraak van 28 februari 1996 heeft de
Raad vastgesteld dat bij of krachtens de Overeenkomst geen regeling is
getroffen voor het geval dat de koers van de Nieuw-Zeelandse dollar zich
wijzigt na de eerste vaststelling van het pensioen met toepassing van
artikel 15, vierde lid, van die Overeenkomst. Verder heeft de Raad toen
overwogen dat gedaagde "bij de toepassing van de verdragbepaling
een zekere beleidsvrijheid heeft bij het tot stand brengen van het door
die bepaling beoogde resultaat. Die vrijheid vindt echter haar grens in
hetgeen blijkens die bepaling ten aanzien van de betrokkenen als
waarborg moet gelden, te weten dat het pensioen wordt aangepast met -
niet meer dan - het "surplus" als in het verdrag omschreven.
Dit brengt mee dat, in het geval dat de overschrijding van het
maximumpensioenbedrag ingevolge de AOW lager wordt als gevolg van een
koersverlaging van de Nieuw-Zeelandse dollar, de betrokkene kan
verlangen dat de vermindering van zijn AOW-pensioen op grond van het
Verdrag dienovereenkomstig wordt aangepast."
Gedaagde heeft vervolgens de toepassing van artikel 15, vierde lid, van
de Overeenkomst aldus inhoud gegeven, dat jaarlijks een herberekening
van het pensioen plaatsvindt waarbij enerzijds de aanspraak op
AOW-pensioen definitief wordt vastgesteld over het voorafgaande jaar en
waarbij anderzijds het te betalen AOW-pensioen over het daarop volgende
jaar voorlopig wordt vastgesteld. Bij beide vaststellingen hanteert
gedaagde de fictieve kwartaalkoers, zijnde de gemiddelde koers van de
Nieuw-Zeelandse dollar gedurende de eerste maand van het voorafgaande
kwartaal. De herberekening over het voorafgaande jaar geschiedt per
maand, waarbij per kwartaal de hiervoor bedoelde fictieve kwartaalkoers
wordt gebruikt. Dit betekent dat de herberekening over bijvoorbeeld de
maand december van een bepaald jaar geschiedt op grond van de gemiddelde
koers over de maand juli van het betreffende jaar. Voor zeer
uitzonderlijke gevallen - onder meer devaluaties van meer dan 10% ten
opzichte van de Nederlandse gulden - hanteert gedaagde andere
(maand)koersen.
Wat betreft de door gedaagde gehanteerde koers bij de voorlopige
vaststelling van het pensioen voor het aanstaande jaar is de Raad van
oordeel dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten de fictieve
kwartaalkoers te hanteren, welke koers ook in andere regelingen wordt
gehanteerd bij de vaststelling van de hoogte van een lopende uitkering.
Daarbij merkt de Raad nog op dat het een voorlopige vaststelling betreft
en dat eventuele koersverschillen bij de herberekening in het daarop
volgende jaar hersteld kunnen worden.
Ten aanzien van de gehanteerde koers bij de herberekening van het
pensioen over het voorafgaande jaar is de Raad anders dan de rechtbank
van oordeel dat gedaagde door middel van de fictieve kwartaalkoers niet
- voldoende - waarborgt dat de som van het Nederlandse en het
Nieuw-Zeelandse pensioen bij een daling van de koers van de
Nieuw-Zeelandse dollar niet lager wordt dan het maximumpensioenbedrag
van de AOW. Daarbij acht de Raad van belang dat de door gedaagde gekozen
fictieve kwartaalkoers ertoe leidt dat de herberekening over een
bepaalde maand plaatsvindt aan de hand van de gemiddelde maandkoers van
drie tot vijf maanden voordien. Een herberekening over een afgesloten
tijdvak in het verleden biedt naar 's Raads oordeel - anders dan bij de
vaststelling van de hoogte van een lopende uitkering - diverse
mogelijkheden om het door artikel 15, vierde lid, van de Overeenkomst
beoogde resultaat beter te waarborgen. De Raad merkt hierbij op dat een
herberekening per maand aan de hand van de gemiddelde koers van de
Nieuw-Zeelandse dollar over die maand, zoals ook geschiedt bij de
definitieve berekening van uitkeringen ingevolge de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940 - 1945 voor personen wonend buiten
Nederland, het beoogde resultaat wel voldoende zou waarborgen. Nu
gedaagde thans al een herberekening per maand maakt vermag de Raad niet
in te zien dat dit een onuitvoerbare werkwijze voor gedaagde zou
betekenen. De Raad onderkent dat een volledige waarborging van bedoeld
resultaat praktische bezwaren kan opleveren en stelt vast dat uit de
uitspraak van de Raad van 28 februari 1996 reeds voortvloeit dat gedaagde hierbij een zekere
vrijheid toekomt. Gedaagde is dan ook niet gehouden de koers te hanteren
welke bij de overboeking van het Nieuw-Zeelandse pensioen aan de
betrokkene is gehanteerd, zoals door appellante bepleit, nu die koers
per uitkeringsgerechtigde kan verschillen en afhankelijk is van bepaalde
keuzes van de betrokkene omtrent de door hem gewenste wijze van betalen
van het Nieuw-Zeelandse pensioen.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat de (voorgenomen) wijziging van
artikel 15 van de Overeenkomst nog niet in werking is getreden, zodat de
Raad daaraan in deze procedure geen betekenis kan toekennen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen
uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene
wet bestuursrecht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op ( 2,27 + 14,07) 16,34 wegens reiskosten in beroep en in hoger beroep en
322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van hetgeen in deze, 's Raads,
uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag groot 338,34;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van
102,10 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.G. Treffers
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|