|
Uitspraak
01/2578
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (België), appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 24 januari 2000 heeft gedaagde aan appellante doen weten
dat zij over de periode 1 januari 1998 tot 6 oktober 1999 is opgenomen
"in de vrijwillige AOW/Anw-verzekering in het EG-recht."
Bij besluit van 21 maart 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 januari
2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 26 oktober 2000,
verzonden op 23 maart 2001, het beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard.
Appellante is op bij beroepschrift van 1 mei 2001 aangegeven gronden van
die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 31 juli 2002 heeft appellante de gronden van het
beroep aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 augustus 2002,
waar appellante in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen mr. A.H. Gersie, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Appellante is geboren [in] 1937 in [geboorteplaats] (Verenigd
Koninkrijk). Zij bezit, sinds haar huwelijk in 1963 met [echtgenoot],
geboren op 6 oktober 1934, de Nederlandse nationaliteit. Na aanvankelijk
woonplaats te hebben gehad in Nederland, is het gezin in 1977 verhuisd
naar België. Appellante heeft na haar huwelijk geen betaalde
werkzaamheden (meer) verricht. Haar man, die vanaf 1964 heeft gewerkt
bij Unilever, genoot sinds 19 augustus 1985 uitkeringen ingevolge de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij vertrek uit Nederland is door appellante geen regeling getroffen
aangaande de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW)
en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). In 1990 heeft appellante bij
gedaagde een aanmeldingsformulier ingediend voor de vrijwillige AOW/AWW-verzekering
volgens Bijlage VI van EG-Verordening 1408/71. Bij besluit van 24
oktober 1990 heeft gedaagde aan appellante laten weten dat zij met
ingang van 2 augustus 1989 is opgenomen in de vrijwillige AOW/AWW-verzekering
ingevolge genoemde Bijlage VI. Daarbij is aangegeven dat zolang
appellantes echtgenoot in Nederland verplicht verzekerd is voor de AOW
en de AWW appellante vrijwillig verzekerd blijft en dat appellante geen
premie hoeft te betalen, zolang zij zelf geen inkomsten heeft.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde aan appellante laten weten dat
haar bevoegdheid om deel te nemen aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering,
zoals geregeld in Bijlage VI bij EG-Verordening nr. 1408/71, per 6
oktober 1999 is geëindigd. Als motivering voor deze beslissing heeft
gedaagde gewezen op het bereiken van de 65-jarige leeftijd door
appellantes echtgenoot op 6 oktober 1999 en is voorts verwezen naar punt
2, sub f, van Bijlage VI, onderdeel J van EG-Verordening nr. 1408/71. Op
grond van deze bepaling bestaat voor appellante niet meer de
mogelijkheid deel te nemen aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering
ingevolge het EG-recht, aldus gedaagde.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden
besluit, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 januari
1996, gepubliceerd in RSV 1997/57, verworpen.
In hoger beroep heeft appellante als grieven aangevoerd dat de beëindiging
van haar vrijwillige verzekering bij het bereiken van de 65-jarige
leeftijd door haar echtgenoot op de voet van art. 2, sub f, van
voornoemde Bijlage VI de vrije vestiging van haar man en haarzelf in
andere lidstaten van de Unie belemmert, dat hierdoor haar recht op
familieleven wordt geschonden en dat door die toepassing vrouwen worden
gediscrimineerd.
Gedaagde heeft, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van
de Raad, geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
De Raad overweegt als volgt.
Met ingang van 2 augustus 1989 is in Bijlage VI, onderdeel J
(Nederland), onder het kopje 'Toepassing van de Nederlandse Algemene
Ouderdomswet (AOW)', onderdeel f en verder, van EG-Verordening 1408/71,
een regeling opgenomen welke voorziet in de mogelijkheid van vrijwillige
verzekering AOW/Anw van de huwelijkspartner van een krachtens genoemde
wetten verplicht verzekerde werknemer of zelfstandige over tijdvakken
welke zijn gelegen na 2 augustus 1989. Blijkens de tweede volzin van
onderdeel f, vervalt - voor zover hier van belang - de mogelijkheid van
vrijwillige verzekering met ingang van de dag waarop de verplichte
verzekering van de werknemer of de zelfstandige eindigt of waarop deze
de leeftijd van 65 jaar bereikt.
De Raad heeft in voormelde uitspraak van 17 januari 1996 geoordeeld dat
deze regeling, als uitgelegd door de Raad, geen strijd oplevert met het
beginsel van vrij verkeer van werknemers in de Europese Gemeenschap.
Daarnaast heeft de Raad geoordeeld dat de stelling dat de hier aan de
orde zijnde regeling discriminerend is voor vrouwen door hem niet wordt
onderschreven. De Raad ziet geen grond hierover thans, onder het recht
van de Europese Unie, anders te oordelen.
De Raad merkt in dat verband nog op dat, anders dan is gesteld door
appellante, het hier aan de orde zijnde onderdeel van Bijlage VI in
overeenstemming is met de doelstellingen van Verordening 1408/71 als
verwoord in de Considerans. De regeling faciliteert het vrij verkeer
binnen de gemeenschap door aan de niet verzekerde partner van migrerende
werknemers en zelfstandigen de mogelijkheid toe te kennen tot
vrijwillige verzekering ingevolge de AOW/Anw, in het geval van
appellante zelfs premievrij. De regeling draagt ook bij aan de verhoging
van de levensstandaard van migrerenden zoals appellante, nu, zonder de
hier aan de orde zijnde regeling, appellante vanaf 1989 geen aanspraak
had kunnen maken op vrijwillige verzekering.
Het feit dat aan de toepasselijkheid van deze regeling grenzen zijn
gesteld, in casu de beëindiging van de mogelijkheid van vrijwillige
verzekering van appellante wegens het bereiken van de leeftijd van 65
jaar door haar echtgenoot, vloeit naar het oordeel van de Raad voort uit
het accessoire karakter van appellantes aan de regeling te ontlenen
bevoegdheid tot vrijwillige verzekering. Deze beperking van de
bevoegdheid tot vrijwillige verzekering laat evenwel het hiervoor
beschreven 'begunstigende' karakter van de regeling op zich zelf
onverlet.
De Raad begrijpt de stelling van appellante dat zij wordt
gediscrimineerd aldus dat, naar haar oordeel, de beëindiging van de
bevoegdheid tot vrijwillige verzekering bij het bereiken van de leeftijd
van 65 jaar van de verplicht verzekerde partner, in strijd moet worden
geacht met het, ook door de gemeenschapswetgever te respecteren,
algemene rechtsbeginsel dat verplicht tot gelijke behandeling van mannen
en vrouwen. Deze regeling zal ertoe leiden dat de bevoegdheid tot
vrijwillige verzekering van vrouwen in veel meer gevallen vóór het
bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal worden beëindigd dan bij
mannen, nu meer mannen dan vrouwen werkzaam zijn en mannen in de regel
ouder zijn, zodat het bereiken van de leeftijd van 65 jaar van de
vrouwelijke partner op hun bevoegdheid tot vrijwillige verzekering geen
invloed zal hebben.
De Raad stelt voorop dat in Bijlage VI, onderdeel J, sub f, van de
Verordening beoogd wordt een regeling te treffen voor de niet ingevolge
de AOW/Anw verzekerde partner van een in Nederland verplicht verzekerde
werknemer of zelfstandige inhoudende dat deze zich, in afwijking van de
nationale Nederlandse regeling inzake vrijwillige verzekering voor die
wetten, vrijwillig kan verzekeren tegen gunstiger voorwaarden dan
voorzien in de nationale regeling. Naar het oordeel van de Raad is deze
doelstelling naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd te achten. Het
gekozen middel ten aanzien van het einde van deze vrijwillige
verzekering op grond van Bijlage VI is naar het oordeel van de Raad
noodzakelijk om het gestelde doel te kunnen bereiken en levert derhalve
geen verboden (indirect) onderscheid naar geslacht op.
Met betrekking tot de grief van appellante dat de beëindiging van de
bevoegdheid tot vrijwillige verzekering afbreuk doet aan haar aanspraken
op grond van artikel 8 van het EVRM, oordeelt de Raad dat gesteld noch
gebleken is dat de regeling in de Bijlage, inclusief de beëindigingsregeling,
op zich zelf appellante beperkt in de beleving van haar gezinsleven. De
gestelde mogelijke beperking van appellantes gezinsleven is het gevolg
van een door appellante op de toepassing van de Bijlage gebaseerde
gevolgtrekking. Van een direct causaal verband tussen (de toepassing van
de) Bijlage en de gestelde inbreuk op appellantes gezinsleven is in die
omstandigheden, naar het oordeel van de Raad, geen sprake.
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6
november 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|