|
Uitspraak
01/5552 AOW, 01/5554 AOW en 01/5555
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 februari 2000 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat
hij sedert 1 juli 1997 niet langer als ongehuwd wordt aangemerkt nu hij
vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert. Met ingang van
augustus 1997 is derhalve zijn ouderdomspensioen herzien naar de norm
voor een gehuwde of ongehuwde die samenwoont.
Bij besluit van 22 februari 2000 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat
hij met ingang van augustus 1997 recht heeft op een toeslag ingevolge de
Algemene Ouderdomswet (AOW) waarop in verband met niet-verzekerde jaren
van zijn partner een korting wordt toegepast van 84%.
Bij brief van 23 februari 2000 heeft gedaagde appellant op de hoogte
gesteld van het voornemen aan hem een boete op te leggen van f 900,--.
Tevens heeft gedaagde appellant gevraagd om een betalingsvoorstel te
doen met betrekking tot het teveel betaalde bedrag aan AOW-uitkering en
de boete.
Gedaagde heeft bij besluit van 31 oktober 2000 (hierna: bestreden
besluit I) het tegen het besluit van 23 februari 2000 gemaakte bezwaar
ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft bij besluit van diezelfde datum (hierna: bestreden
besluit II) het tegen het besluit van 22 februari 2000 gemaakte bezwaar
eveneens ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft bij besluit van diezelfde datum (hierna: bestreden
besluit III) het tegen de brief van 23 februari 2000 gemaakte bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 14 augustus 2001 het
tegen de bestreden besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden heeft appellant
bij gemachtigde mr. H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, tegen
bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25
september 2002, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. H.
Klein Hesselink, voornoemd, en waar gedaagde - zoals schriftelijk
aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Op 17 juni 1995 heeft appellant een aanvraag om ouderdomspensioen
ingevolge de AOW ingediend bij gedaagde. Daarbij heeft appellant onder
meer aangegeven op 13 juni 1993 uit Nederland te zijn vertrokken, sedert
30 juni 1993 ongehuwd te zijn en vanaf 12 juli 1993 alleen te wonen.
Gedaagde heeft aan appellant met ingang van 1 augustus 1996 een volledig
ouderdomspensioen voor een ongehuwde toegekend. Appellants broer heeft
in een telefoongesprek van 15 april 1999 onder meer aangegeven dat
appellant sinds zijn vestiging in [plaatsnaam] (België) samenwoont met
mevrouw [partner] (hierna: [partner]). Naar aanleiding hiervan is door
gedaagde een onderzoek ingesteld. Hieruit is onder meer gebleken dat
[partner] sinds 30 juli 1993 stond ingeschreven in de gemeente
[plaatsnaam] op het adres [adres 1] en dat appellant sinds 8 oktober
1993 op dit adres stond ingeschreven. Sinds 14 januari 1997 stond
appellant ingeschreven in de gemeente [naam gemeente] op het adres 2.
[partner] stond sinds 18 augustus 1997 op dit adres ingeschreven.
[partner] en appellant zijn op respectievelijk 10 en 11 februari 1999
uitgeschreven uit het bevolkingsregister van de gemeente [naam gemeente]
in verband met hun vertrek naar Spanje.
Bij het bestreden besluit I is door gedaagde het standpunt ingenomen dat
appellants ouderdomspensioen met ingang van augustus 1997 terecht is
herzien naar de norm voor een gehuwde of ongehuwde die samenwoont nu hij
met ingang van 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren
met [partner] op het adres [adres 2] te [naam gemeente].
Bij het bestreden besluit II heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd
dat appellant met ingang van augustus 1997 recht heeft op een
AOW-toeslag waarop een korting wordt toegepast van 84%.
Bij het bestreden besluit III heeft gedaagde het tegen de brief van 23
februari 2000 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep aangegeven dat het hoger beroep zich
niet langer richt tegen het bestreden besluit III zodat enkel de
bestreden besluiten I en II bespreking behoeven.
Ten aanzien van het bestreden besluit I is namens appellant in hoger
beroep herhaald dat appellant en [partner] vóór februari 1999 geen
gezamenlijke huishouding in de zin van de AOW voerden. Appellant en
[partner] woonden niet in dezelfde woning. [Partner] woonde in [naam
gemeente] in een boerderij terwijl appellant in een caravan woonde die
op het erf bij de boerderij stond. Voorts is naar voren gebracht dat
niet voldaan is aan het criterium van de wederzijdse verzorging omdat er
geen sprake was van een financiële verstrengeling tussen [partner] en
appellant. Appellant droeg alle kosten.
De Raad overweegt ten aanzien van het bestreden besluit I als volgt.
Ingevolge artikel 1, derde lid onder a van de AOW wordt als gehuwd of
als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een
andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert,
tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het
vierde lid van dat artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake
indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij
blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van
een bijdrage in de kosten van huishouding dan wel anderszins.
Bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding dienen
de aard van de tussen betrokkenen bestaande relaties en hun subjectieve
gevoelens daaromtrent buiten beschouwing te blijven. Ook is het motief
van het voeren van een gezamenlijke huishouding niet van belang.
Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van het
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De Raad is van oordeel dat
appellant en [partner] ten tijde hier van belang in dezelfde woning hun
hoofdverblijf hadden, te weten de boerderij aan de [adres 2] te [naam
gemeente]. De Raad acht hierbij allereerst van belang dat uit het
bevolkingsregister van de gemeente [naam gemeente] is gebleken dat
appellant en [partner] vanaf 18 augustus 1997 op hetzelfde adres stonden
ingeschreven. Appellant heeft voorts niet aannemelijk weten te maken dat
de caravan waarin hij zou hebben gewoond voorzien was van wezenlijke
woonfuncties, zoals bijvoorbeeld was- en kookgelegenheid en toilet,
zodat hij over zelfstandige woonruimte beschikte.
Vóór 18 augustus 1997 stonden appellant en [partner] op verschillende
adressen ingeschreven. Uit jurisprudentie van de Raad blijkt dat ook als
twee personen op verschillende adressen staan ingeschreven, er sprake
kan zijn van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Dit is het
geval als de betreffende personen feitelijk op hetzelfde adres
verblijven. Naar het oordeel van de Raad verbleven appellant en
[partner] in ieder geval reeds in juli 1997 feitelijk op hetzelfde adres
in [naam gemeente]. Hierbij acht de Raad van betekenis dat appellant
heeft verklaard dat [partner] en haar dochter in juli 1997 naar [naam
gemeente] zijn verhuisd en de (Belgische) bijstandsuitkering van
[partner] direct na haar verhuizing naar [naam gemeente] is beëindigd.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse
verzorging. Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiële
verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend
delen van de woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien
van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe
mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende
zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.
Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en
omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend
zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in
een concreet geval is voldaan.
Appellant heeft op een zogenaamde "checklist onderzoek van de
leefsituatie voor de buitendienst" aangegeven dat hij de hypotheek
voor de boerderij in [naam gemeente] betaalde alsmede de dagelijkse
boodschappen en de energiekosten. Voorts heeft appellant tijdens een op
20 september 2000 gehouden hoorzitting in het kader van de
bezwaarschriftprocedure verklaard dat [partner] zijn auto mocht
gebruiken, [partner] het eten klaarmaakte als zij thuis was en hij toen
de bijstandsuitkering van [partner] werd stopgezet in verband met haar
verhuizing naar [naam gemeente] [partner] en haar dochter is gaan
onderhouden.
Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de
conclusie gerechtvaardigd dat appellant en [partner] vanaf juli 1997 in
elkaars verzorging hebben voorzien. Derhalve is door gedaagde terecht de
conclusie getrokken dat vanaf juli 1997 sprake is van een gezamenlijke
huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid van de AOW, zodat het
Aow-pensioen terecht ingaande 1 augustus 1997 is herzien.
Ten aanzien van het bestreden besluit II is namens appellant in hoger
beroep wederom aangevoerd dat de toeslag ingevolge de AOW een
gezinsbijslag is in de zin van artikel 4, lid 1, sub h van Verordening
(EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale
zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun
gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna:
Verordening (EEG) nr. 1408/71) en dat op grond van artikel 72 van
diezelfde Verordening de verzekerde tijdvakken van [partner] in België
moeten worden meegerekend voor de vaststelling van de hoogte van de
AOW-toeslag. Voorts is namens appellant naar voren gebracht dat de
korting op de toeslag ingevolge de AOW in strijd is met het vrij verkeer
van werknemers als bedoeld in
artikel 39 van het EG-Verdrag.
De Raad overweegt ten aanzien van het bestreden besluit II als volgt.
De Raad stelt vast dat het geschil ook in hoger beroep zich beperkt tot
de vraag of appellant aan bepalingen van gemeenschapsrecht aanspraak op
een hogere AOW-toeslag kan ontlenen. Tussen partijen is niet in geschil
dat [partner] in de periode van 1 januari 1957 tot appellants 65e
verjaardag krachtens nationaal Nederlands recht niet verzekerd is
geweest. Dit heeft gedaagde ertoe gebracht om op de toeslag een korting
toe te passen van 42x2%=84%.
Ten aanzien van het namens appellant gedane beroep op Verordening (EEG)
nr. 1408/71 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de toeslag
ingevolge de AOW aangemerkt moet worden als een uitkering bij ouderdom
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c van de Verordening en niet
beschouwd kan worden als een gezinsbijslag als bedoeld in dit artikellid
onder h. Daartoe overweegt de Raad het volgende. Volgens vaste
rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zijn
voor de indeling van een bepaalde uitkering in de in artikel 4, eerste
lid van Verordening (EEG) nr. 1408/71 opgesomde takken van sociale
zekerheid beslissend de constitutieve elementen van die uitkering, met
name het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden waaronder zij
wordt toegekend (zie o.m. arrest van 5 maart 1998, Molenaar, C-160/96,
RSV 1998/227).
Artikel 8 van de AOW beperkt het recht op toeslag tot de
pensioengerechtigde van wie de partner jonger is dan 65 jaar. De toeslag
is bedoeld om het ouderdomspensioen op dezelfde hoogte te brengen als
zou gelden wanneer ook de jongere partner de pensioengerechtigde
leeftijd heeft bereikt. Op de toeslag wordt een korting toegepast van 2%
voor ieder jaar waarin de jongere partner niet verzekerd was of schuldig
nalatig is geweest premie te betalen. Het inkomen dat de partner
ontvangt uit of in verband met arbeid wordt tot op zekere hoogte op de
toeslag in mindering gebracht. Uit het voorgaande blijkt dat de toeslag
rechtstreeks verband houdt met het risico van ouderdom.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de door appellant genoemde bepalingen
uit de Verordening, welke betrekking hebben op gezinsbijslagen, niet van
toepassing zijn in dit geding. Voorts brengen de bepalingen van
Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toekenning van
ouderdomsuitkering niet met zich mee dat aan appellant een hogere
AOW-toeslag dient te worden toegekend.
Voorts beantwoordt de Raad de vraag of de korting op appellants toeslag
ingevolge de AOW zich verdraagt met het in het EG-verdrag verankerde
recht op vrij verkeer van werknemers bevestigend. De Raad onderschrijft
hetgeen dienaangaande door de rechtbank is overwogen.
Uit het voorgaande volgt dat appellant geen hogere aanspraak op een
AOW-toeslag kan ontlenen aan bepalingen van gemeenschapsrecht.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en prof. mr. F.J.L.
Pennings en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van
J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20
november 2002.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|