|
Uitspraak
00/4668
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Belgi๋), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 oktober 1999 heeft appellant het bezwaar van gedaagde
tegen een brief betreffende de verzekering ingevolge de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 juli 2000 het beroep
gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven
een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat appellant het
griffierecht aan gedaagde vergoedt.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Namens gedaagde heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Woerden, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 november
2002. Namens appellant is daar verschenen G.C. van Spanning, werkzaam
bij de Sociale Verzekeringsbank, en gedaagde is, zoals was aangekondigd,
niet verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde ontvangt van appellant een ouderdomspensioen ingevolge de
Algemene Ouderdomswet (AOW). In juni 1999 heeft appellant een mailing
verzonden betreffende de AWBZ-premie. Hierin staat onder meer het
volgende vermeld:
"Door een wetswijziging bent u vanaf januari 1999 verzekerd voor de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). (...) Omdat u verzekerd
bent voor de AWBZ, moet u ook premie betalen.
Wij houden met ingang van juli 1999 AWBZ-premie in op uw AOW of
Anw."
Het bezwaar van gedaagde tegen deze mededeling is niet-ontvankelijk
verklaard bij het bestreden besluit van 4 oktober 1999 omdat er naar het
oordeel van appellant geen sprake is van een besluit in de zin van
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft overwogen dat appellant impliciet als zijn oordeel
heeft uitgesproken dat het bepaalde in artikel 7 van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, Stb.
1998, 746 op gedaagde van toepassing is en dat dit oordeel gericht is op
rechtsgevolg, te weten de vaststelling dat gedaagde verzekerd is voor de
AWBZ. Met dit oordeel is gedaagde rechtstreeks in zijn belang getroffen.
Het bezwaar van gedaagde is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk
verklaard, aldus de rechtbank.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het (uiteindelijke)
oordeel omtrent de verzekeringsplicht ingevolge de AWBZ bij de
belastingdienst berust. Volgens appellant kan een impliciete mededeling
van een niet tot oordelen bevoegd orgaan niet worden aangemerkt als een
publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat de brief van juni 1999 niet
als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dient onder een besluit te
worden verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan,
inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Naar het oordeel van de Raad kan de stellige mededeling van appellant in
de brief van juni 1999 niet anders worden gekwalificeerd dan als ้้n
die ontegenzeggelijk is gericht op rechtsgevolg, te weten het feit dat
gedaagde verzekerd is ingevolge de AWBZ en dat hij premie verschuldigd
is, die zal worden ingehouden op zijn AOW-pensioen.
Het enkele feit dat de belastingdienst het orgaan zou zijn dat
uiteindelijk beslist omtrent de verzekeringsplicht en de
verschuldigdheid van premie maakt dat niet anders, nu hiervan uit de
brief van juni 1999 niet blijkt.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Appellant zal worden
veroordeeld tot betaling van de kosten die gedaagde in verband met het
hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken en van appellant zal een
recht worden geheven.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde, begroot op
322,-;
Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van 327,-.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december
2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|