|
Uitspraak
01/2307
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Amsterdam van 16 maart 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft vragen beantwoord.
Gedaagde heeft de Raad nog nadere brieven toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 oktober 2002, waar
namens appellant is verschenen mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de
Sociale Verzekeringsbank, terwijl gedaagde - zoals tevoren was bericht -
niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft gedaagde met ingang van oktober 1997 een pensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.
Op 19 oktober 1999 heeft appellant gedaagde, destijds woonachtig in
Groot-Brittannië, een formulier levensbewijs toegezonden met het
verzoek dat in te vullen, (mede) door een bevoegde autoriteit te doen
ondertekenen en dit binnen de daarop gestelde termijn van zes weken te
retourneren. Toen op dat verzoek binnen de gestelde termijn geen reactie
was ontvangen, heeft appellant gedaagde bij brief van 14 december 1999
nogmaals een formulier levensbewijs toegezonden en daarbij aangegeven
dat indien dit formulier niet binnen vier weken retour zou zijn
ontvangen, de betaling van het AOW-pensioen zou worden stopgezet.
In reactie hierop heeft gedaagde appellant bij schrijven van 17 december
1999 bericht dat hij het formulier aan appellant had toegezonden, doch
dat het hem op 18 november 1999 als onbestelbaar was geretourneerd,
waarna hij het poststuk - na telefonisch bij appellant het adres te
hebben gecontroleerd - opnieuw ter post had bezorgd. Dit schrijven van
17 december 1999 heeft appellant op 23 december 1999 bereikt.
Gedaagde heeft het door appellant op 14 december 1999 aan hem
toegezonden formulier ingevuld, door een bevoegde autoriteit doen
tekenen en aan appellant teruggezonden. Dit formulier is door appellant
op 18 januari 2000 ontvangen.
Bij besluit van 2 februari 2000 heeft appellant gedaagde medegedeeld hem
in verband met het te laat inzenden van het levensbewijs een
waarschuwing op te leggen. Bij het bestreden besluit van 3 maart 2000
heeft appellant dat besluit na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond
verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit van
2 februari 2000 herroepen, met bepaling dat appellant aan gedaagde het
betaalde griffierecht vergoedt. Zij heeft daartoe - kort gezegd -
overwogen dat het bestreden besluit (kennelijk) berust op artikel 3,
derde lid, van het Maatregelbesluit AOW en dat dit artikellid slechts
ziet op het niet tijdig nakomen van een verplichting om op verzoek
informatie te verstrekken als bedoeld in artikel 49 van de AOW. Nu het
in het onderhavige geval handelt om het niet tijdig nakomen van een
verplichting als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 7 van de
Controlevoorschriften, is naar het oordeel van de rechtbank artikel 3,
derde lid, van het Maatregelbesluit AOW niet van toepassing, zodat
appellants besluit tot oplegging van een waarschuwing een wettelijke
grondslag mist en in strijd is met het recht.
In hoger beroep heeft appellant het volgende naar voren gebracht.
"Het oordeel van de rechtbank Amsterdam is gebaseerd op de
opvatting dat artikel 49 AOW niet is overtreden omdat artikel 5, derde
lid, Controlevoorschriften AOW is overtreden. Deze opvatting is echter
niet juist.
Artikel 49 AOW verplicht pensioengerechtigden er onder meer toe om op
verzoek van de SVB alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan
hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
op het recht op uitkering.
In casu was sprake van een verzoek van de SVB om mededeling te doen over
het al dan niet in leven zijn van de belanghebbende. Dit is onmiskenbaar
informatie die onmiddellijk van invloed is op het recht op uitkering
zodat het verzoek om informatie als een verzoek in de zin van artikel 49
AOW begrepen dient te worden. In meer algemene zin kunnen wij daar nog
het volgende aan toevoegen.
Artikel 49 AOW heeft niet alleen betrekking op wijzigingen die zich ten
aanzien van het recht op uitkering voordoen, maar heeft tevens
betrekking op de verificatie van feiten en omstandigheden. Met andere
woorden, de vraag of zich überhaupt een wijziging heeft voorgedaan,
wordt evenzeer bestreken door artikel 49 als de vraag wat voor wijziging
zich heeft voorgedaan. In sommige opzichten vormen de
Controlevoorschriften derhalve slechts een nadere precisering van de
verplichting vervat in artikel 49 AOW. Daarnaast bevatten de
Controlevoorschriften uiteraard bepalingen betreffende zaken die niet
direct met het recht op uitkering te maken hebben, maar veeleer met
procedurele aspecten betreffende de verificatie van gegevens
(bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van een geldig
identificatiebewijs voor het maken van een kopie daarvan).
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank Amsterdam een verkeerde
opvatting hanteert ten aanzien van de uitleg van artikel 49 AOW en
artikel 3 derde lid van het Maatregelbesluit AOW en dat de rechtbank ten
onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van de SVB een wettelijke
grondslag mist."
De Raad kan zich hierin vinden. De rechtbank is derhalve ten onrechte
tot het oordeel gekomen dat de oplegging van een waarschuwing aan
gedaagde een wettelijke grondslag miste.
Ten aanzien van de bij het bestreden besluit gehandhaafde oplegging van
een waarschuwing overweegt de Raad verder het volgende.
Het op 19 oktober 1999 aan gedaagde toegezonden formulier levensbewijs
is niet binnen de daarop genoemde termijn van tien weken door appellant
retour ontvangen. Evenmin heeft het door appellant op 14 december 1999
aan gedaagde toegezonden formulier appellant binnen de in de
begeleidende brief genoemde termijn van vier weken bereikt. Daarmee
staat vast dat gedaagde - en dit wordt door hem ook niet betwist - niet
heeft voldaan aan de ingevolge artikel 49 van de AOW op hem rustende
verplichting.
Gedaagde heeft aangevoerd dat hij het op 19 oktober 1999 aan hem
toegezonden formulier ingevuld heeft teruggezonden, doch op 18 november
1999 weer retour heeft ontvangen met de vermelding dat het adres
onbekend was. Nadat hij, aldus gedaagde, telefonisch had nagegaan dat de
adressering juist was, heeft hij het poststuk nogmaals verstuurd. Op 2
maart 2000 heeft hij dit wederom retour ontvangen, waarna hij het met
een begeleidend schrijven waarin een en ander werd uiteen gezet, in een
nieuwe enveloppe naar appellant heeft gezonden. Dit stuk heeft appellant
op 7 maart 2000 bereikt. De enveloppe waarin het formulier tot twee keer
toe was verzonden bevindt zich onder de gedingstukken en ondersteunt
gedaagdes stellingen, terwijl voorts uit een door gedaagde overgelegde
telefoonnota blijkt dat hij op 18 november 1999 telefonisch contact met
het kantoor van appellant heeft gehad.
Gedaagde heeft voorts naar voren gebracht dat hij het formulier dat
appellant hem op 14 december 1999 heeft toegezonden, eerst op (vrijdag)
14 januari 2000 heeft teruggezonden omdat per (maandag) 17 januari 2000
een verhuizing plaatsvond van de locatie Zwolle, waar gedaagdes dossier
werd behandeld, naar de vestiging Deventer. Zijdens appellant is ter
zitting van de Raad bevestigd dat die verhuizing in het weekend van 15
en 16 januari 2000 plaatsvond.
Onder bovengenoemde omstandigheden had appellant naar het oordeel van de
Raad toepassing moeten geven aan artikel 5 van het Maatregelenbesluit
AOW. Dit artikel luidt als volgt:
"Indien ten genoegen van de Bank aannemelijk wordt gemaakt dat het
niet nakomen van een verplichting zoals opgelegd in de
Controlevoorschriften AOW niet kan worden verweten aan degene die de
verplichting is opgelegd, worden de artikelen 3 en 4 niet
toegepast."
Immers, gedaagde heeft naar aanleiding van het hem op 19 oktober 1999
toegezonden formulier tot twee maal toe gepoogd dit formulier tijdig
naar - zoals uit de enveloppe blijkt - het juiste adres terug te zenden.
Dat dit formulier appellant niet tijdig heeft bereikt, valt gedaagde op
geen enkele wijze aan te rekenen. Voorts heeft gedaagde na de ontvangst
van het hem op 14 december 1999 toegezonden formulier om niet
onbegrijpelijke redenen gewacht met de verzending aan appellant totdat
de verhuizing van de locatie Zwolle naar de vestiging Deventer achter de
rug was, omdat hij vreesde dat ook dit formulier als onbestelbaar zou
worden geretourneerd.
Gezien het vorenstaande had appellant moeten concluderen dat voldoende
aannemelijk is gemaakt dat gedaagde het niet nakomen van zijn
verplichting niet kan worden verweten. Appellant had op die grond het
opleggen van een maatregel achterwege moeten laten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit, alsook - nu
het hier vastgestelde gebrek niet kan worden geheeld - het primaire
besluit van 2 februari 2000 niet in stand kunnen blijven. De aangevallen
uitspraak komt derhalve, zij het met verbetering van gronden, voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten
die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen
termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 november
2002.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|