|
Uitspraak
00/6192
AOW en 01/4016 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij twee afzonderlijke besluiten van 28 januari 1999 heeft appellant aan
gedaagde met ingang van januari 1998 een ouderdomspensioen op grond van
de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 60% van het
maximale ouderdomspensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die
samenwoont onderscheidenlijk dit pensioen met ingang van februari 1998
herzien in verband met de toekenning aan gedaagde van een
ouderdomspensioen uit Nieuw-Zeeland en het teveel betaalde
ouderdomspensioen ingevolge de AOW over de periode van februari 1998 tot
en met januari 1998 ten bedrage van f 2.019,48 van gedaagde
teruggevorderd.
Bij besluit van 7 april 1999 (besluit 1) heeft appellant het door
gedaagde tegen de besluiten van 28 januari 1999 gemaakte bezwaar
gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft het door gedaagde ingestelde beroep tegen
besluit 1 bij uitspraak van 17 november 2000 gegrond verklaard en
besluit 1 vernietigd met bepalingen omtrent vergoeding aan gedaagde van
het griffierecht en de reiskosten.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen
deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft onder overlegging van een bijlage een verweerschrift
ingediend.
Bij besluit van 5 juli 2001 (besluit 2) heeft appellant naar aanleiding
van de uitspraak van de rechtbank van 7 april 1999 een nieuw besluit op
het bezwaar van gedaagde genomen.
Gedaagde heeft in reactie hierop bij brief van 3 november 2002 nog
enkele stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 november 2002,
waar namens appellant is verschenen mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij
appellant, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door
haar gemachtigde J.G. Janssen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat besluit 2, dat appellant ter uitvoering van de
aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep van gedaagde in
eerste aanleg tegen besluit 1 niet geheel tegemoet komt en dat ingevolge
de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) dit beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit 2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant het hoger beroep tegen de
aangevallen uitspraak ingetrokken, alsmede de besluiten 1 en 2
ingetrokken. Voorts heeft deze gemachtigde meegedeeld dat naar
aanleiding van de uitspraak van de Raad van 26 juni 2002 in een
vergelijkbare zaak een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde zal
worden genomen.
Gedaagde heeft door middel van overlegging van het formulier
proceskosten het in eerste aanleg door haar betaalde griffierecht en de
door haar gemaakte reiskosten, alsmede de door haar en haar gemachtigde
in hoger beroep gemaakte reiskosten gevorderd.
Nu van een ander belang bij de beoordeling van het beroep van gedaagde
tegen besluit 2 dan een veroordeling van appellant tot vergoeding van de
evenbedoelde kosten niet is gebleken, zal de Raad dit beroep
niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad ziet evenwel in verband met de intrekking door appellant van het
hoger beroep tegen de besluiten 1 en 2 aanleiding bij deze uitspraak een
beslissing te geven omtrent de door appellant gevorderde vergoedingen in
eerste aanleg en in hoger beroep.
Wat betreft de door gedaagde gevorderde vergoeding van griffierecht en
gemaakte reiskosten in eerste aanleg overweegt de Raad dat deze
vordering reeds dient te worden afgewezen omdat de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak deze vordering al geheel had toegewezen.
Ten aanzien van het verzoek van gedaagde om veroordeling van appellant
in de reiskosten van gedaagde en haar gemachtigde in de procedure in
hoger beroep overweegt de Raad als volgt.
De Raad leidt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) af dat
voor het vergoeden van de reiskosten van een procesgemachtigde die niet
beroepsmatig rechtsbijstand verleent, in dat besluit geen specifieke
regeling is opgenomen. Wel is in artikel 1, onder c, van het Bpb
aangegeven dat een proceskostenveroordeling betrekking kan hebben op -
onder andere - de reiskosten van een partij. De Raad leidt hieruit af
dat de reiskosten die gedaagde zelf heeft moeten maken wel voor
vergoeding in aanmerking komen. Verschijnt een partij bij een niet
professioneel gemachtigde dan treedt deze wat de vergoeding van
reiskosten betreft in de plaats van de partij. Verschijnt de partij zelf
met bedoelde gemachtigde dan worden de kosten van de gemachtigde niet
meegenomen. Hieruit volgt dat voor vergoeding in aanmerking komen de
reiskosten van gedaagde.
Deze worden begroot op € 36,76.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep van gedaagde tegen besluit 2 niet-ontvankelijk.
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag
groot € 36,76.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 december
2002.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|