|
Uitspraak
00/3452
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Bij besluit van 26 mei 1999 heeft appellant aan gedaagde, voorzover hier
van belang, mededeling gedaan van de herziening van de toeslag op zijn
AOW-pensioen over de maanden juni 1998 en januari 1999, alsmede het te
veel betaalde pensioen ad fl. 286,52 teruggevorderd.
Bij besluit van 6 september 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft
appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 26 mei 1999
gegrond verklaard voorzover aan dit besluit een regeling inzake de
invordering ontbrak, een beslissing gegeven omtrent de invordering en
het besluit van 26 mei 1999 voor het overige gehandhaafd.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 26 mei 2000 het beroep
tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd,
bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van de uitspraak van de rechtbank en verder bepaald dat
appellant aan gedaagde het betaalde griffierecht vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 januari 2003, waar
voor appellant is verschenen J.A. Schimmel, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank, en waar gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij het besluit van 26 mei 1999 heeft appellant geconstateerd dat het
inkomen van gedaagdes (huwelijks)partner in de maanden juni 1998 en
januari 1999 is gewijzigd, waardoor gedaagde in die maanden te veel
toeslag heeft ontvangen op zijn AOW pensioen. Het te veel ontvangen
bedrag ad fl. 286,52 wordt teruggevorderd.
Bij het bestreden besluit heeft appellant een correctie aangebracht op
het besluit van 26 mei 1999 in die zin dat bij het bestreden besluit
tevens een beslissing is gegeven omtrent de wijze van invordering.
Appellant houdt vanaf de maand juli 1999 maandelijks een bedrag van fl.
71,63 in op het aan gedaagde toekomende pensioen ter verrekening van de
te veel betaalde toeslag.
De rechtbank heeft met betrekking tot de vaststelling door appellant van
de inkomensafhankelijke toeslag geoordeeld dat de herziening hiervan
door appellant over de maanden juni 1998 en januari 1999, gezien het in
die maanden door gedaagdes partner verworven inkomen, juist is en dat
gedaagde niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprake is
van dringende redenen op grond waarvan appellant van herziening van de
toeslag had moeten afzien.
Ten aanzien van de terugvordering heeft de rechtbank vooropgesteld dat
gedaagde niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprake is
van dringende redenen op grond waarvan appellant van terugvordering had
moeten afzien.
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat op grond van artikel 24,
zevende [bedoeld is zesde], lid, van de AOW, appellant, onder
voorwaarden die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe)
kan stellen, kan besluiten af te zien van terugvordering indien het
terug te vorderen bedrag een door hem vast te stellen bedrag niet te
boven gaat. Op grond van artikel 1 van de Regeling terugvordering
geringe bedragen van de Staatssecretaris van SoZaWe van 22 december
1997, Stcrt. nr. 250, kan appellant besluiten af te zien van
terugvordering ingevolge onder andere de AOW indien het terug te
vorderen bedrag tweehonderdvijftig gulden op jaarbasis niet te boven
gaat. Volgens de rechtbank brengt een redelijke toepassing van dit
artikel mede dat onder 'tweehonderdvijftig gulden op jaarbasis' moet
worden verstaan dit bedrag in een kalenderjaar. Gelet hierop en in
aanmerking genomen dat de terugvordering ziet op te veel genoten toeslag
door gedaagde in juni 1998 en januari 1999, waardoor het
terugvorderingsbedrag in de jaren 1998 en 1999 een bedrag van fl. 250,-
per kalenderjaar niet te boven gaat, ontbeert het bestreden besluit een
motivering waarom appellant met toepassing van artikel 24, zesde lid,
van de AOW niet heeft afgezien van de in geding zijnde terugvordering.
Om die reden heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met
artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
vernietigd.
In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rechtbank het bestreden
besluit ten onrechte wegens strijd met het motiveringsbeginsel heeft
vernietigd. Gewezen wordt op de toelichting bij de Wet van 24 december
1997, Stb. 1997, 789 (Veegwet), op grond waarvan de Regeling
terugvordering geringe bedragen is getroffen. Uitgangspunt blijft
blijkens deze toelichting dat een uitvoeringsorgaan gehouden is om
onverschuldigd betaalde uitkeringen terug- en in te vorderen en daartoe
ook zijn incassomogelijkheden aan te wenden. Volgens het beleid van
appellant wordt de bevoegdheid neergelegd in artikel 24, zesde lid, van
de AOW in ieder geval niet gehanteerd indien uit de aan appellant ter
beschikking staande gegevens blijkt dat invordering mogelijk is door
verrekening met een periodieke uitkering van de Sociale
verzekeringsbank. In casu is reeds bij het bestreden besluit aan
gedaagde een verzekeringvoorstel gedaan. Dit hield in dat in vier
maandelijkse termijnen het te veel betaalde zou worden verrekend.
Door gedaagde is in hoger beroep gewezen op de in eerdere instanties
voorgedragen grieven tegen het bestreden besluit.
De Raad stelt voorop dat in hoger beroep slechts in geschil is of de
rechtbank met recht het bestreden besluit op grond van artikel 7:12,
eerste lid, van de Awb, heeft vernietigd, nu appellant bij dit besluit
niet heeft gemotiveerd waarom hij met toepassing van artikel 24, zesde
lid, van de AOW niet heeft afgezien van de in geding zijnde
terugvordering.
De tegen dit oordeel van de rechtbank door appellant opgeworpen grief
slaagt.
De Raad merkt primair op dat de rechtbank rauwelijks is overgegaan tot
een vernietiging van het bestreden besluit op grond van een
motiveringsgebrek. Noch uit het proces verbaal van de zitting noch uit
de gedingstukken valt op te maken dat de rechtbank aan appellant een
nadere uiteenzetting ten aanzien van de rechtmatigheid van zijn besluit
in het licht van de Regeling terugvordering geringe bedragen heeft
verzocht. Naar het oordeel van de Raad had dit wel in de rede gelegen,
nu gedaagde niet expliciet op die regeling een beroep had gedaan.
In dat verband merkt de Raad op dat, blijkens de toelichting bij artikel
24, zesde lid, van de AOW, uitgangspunt blijft dat een uitvoeringsorgaan
gehouden is om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug en in te
vorderen. De Regeling terugvordering geringe bedragen berust op
doelmatigheidsoverwegingen. Daarbij wordt het aan het uitvoeringsorgaan
zelf overgelaten beleid terzake vast te stellen. In die omstandigheden
had het naar het oordeel van de Raad op de weg van de rechtbank gelegen
bij gedaagde te informeren naar de inhoud van het (eventueel) terzake
van de toepassing van de Regeling terugvordering geringe bedragen door
appellant gevoerde beleid, alvorens hieromtrent een oordeel te geven.
Naar het oordeel van de Raad biedt de inhoud van dit beleid, waarvan de
Raad in hoger beroep wel kennis heeft genomen, geen grondslag voor het
oordeel dat het in dit geding aan de orde zijnde besluit rechtens niet
juist zou zijn. Daarbij wijst de Raad erop dat volgens het beleid van
appellant van terugvordering in elk geval niet wordt afgezien indien uit
de aan appellant ter beschikking staande gegevens blijkt dat invordering
mogelijk is door verrekening met een door appellant verstrekte
periodieke uitkering. De Raad komt dit beleid, gezien de hiervoor
geschetste inhoud en strekking van artikel 24, zesde lid, van de AOW,
niet rechtens onaanvaardbaar voor.
De Raad merkt vervolgens op dat in het bestreden besluit is voorzien in
verrekening van de te veel betaalde toeslag. Gesteld noch gebleken is
dat appellant niet bevoegd was tot deze verrekening of dat de
verrekening anderszins in strijd met het recht zou zijn.
De Raad concludeert dat appellant overeenkomstig zijn terzake gevoerde
beleid de in juni 1998 en januari 1999 te veel betaalde toeslag van
gedaagde heeft teruggevorderd.
Nu gesteld noch gebleken is dat het bestreden besluit op andere gronden
de rechterlijke toets niet kan doorstaan, komt de Raad tot het oordeel
dat de rechtbank het inleidend beroep ten onrechte gegrond heeft
verklaard en het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarin over de
vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg is beslist;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|