|
Uitspraak
00/5080
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Bonaire, N.A.), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24
augustus 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 3 januari 2003, waar partijen - gedaagde met kennisgeving - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreide uiteenzetting van de relevante feiten verwijst de
Raad naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan
met het volgende.
Appellant, die op 11 januari 1932 is geboren en de Nederlandse
nationaliteit bezit, heeft tot 3 november 1991 in Nederland gewoond.
Nadat hij in 1991 gebruik had gemaakt van de mogelijkheid tot vervroegd
uittreden (VUT) heeft appellant zich ingaande 3 november 1991 met zijn
echtgenote gevestigd op Bonaire (Nederlandse Antillen).
In juni 1997 heeft appellant een aanvraag voor een ouderdomspensioen
ingevolge de AOW ingediend bij gedaagde. Bij besluit van 11 september
1998 heeft gedaagde met ingang van 1 januari 1997 een ouderdomspensioen
ingevolge de AOW aan appellant toegekend ter hoogte van 70% van het
pensioen voor een gehuwde. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat
appellant vanaf 3 november 1991 tot en met 10 januari 1998 niet
verzekerd is geweest ingevolge de AOW, omdat hij toen niet in Nederland
woonde, en dat het tijdvak van zijn 15e verjaardag tot 1 januari 1957
niet als verzekerde periode in aanmerking genomen kan worden, omdat
appellant niet in Nederland woont. Bij beslissing op bezwaar van 23
december 1998 heeft gedaagde, onder meer, het bezwaar van appellant
tegen gedaagdes besluit van 11 september 1998 tot toekenning van een
ouderdomspensioen aan appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat appellant vanaf 3 november 1991 niet langer in Nederland
woont, zodat hij sindsdien niet langer als ingezetene verzekerd is
ingevolge de AOW. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de vraag of
appellant wellicht op grond van artikel 8 van het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (Stb. 1989, 164,
hierna: KB 164) verzekerd is gebleven het volgende overwogen:
"Artikel 8 van KB 164 bevat een limitatieve opsomming van
niet-ingezetenen die uitkeringen ontvangen krachtens wettelijke sociale
verzekeringsregelingen, die als verzekerd voor de AOW dienen te worden
beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat de VUT-uitkering hierbij niet is opgenomen.
Zij merkt daarbij op dat de VUT-uitkering geen uitkering krachtens een
sociale verzekeringsregeling is, maar een uitkering krachtens een
privaatrechtelijke regeling. Uit de jurisprudentie blijkt dat de
regelgever er welbewust voor heeft gekozen om de VUT-uitkering niet op
te nemen in artikel 8 van KB 164. De rechtbank verwijst hierbij naar de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 januari 1998 (RSV
1998/125) en naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 oktober 1999, nr.
342 (RSV 1999/305)."
Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aan alle
voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor de zogenoemde
overgangsvoordelen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in beroep steeds
aandacht heeft gevraagd voor artikel 8 van KB 164. Verder heeft hij
aangevoerd dat in 1991 besloten is tot een verhuizing naar Bonaire in
verband met de gezondheid van zijn echtgenote, aangezien daar sprake is
van een beter leefklimaat voor haar. Appellant heeft verzocht met deze
omstandigheid rekening te houden.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant met name is
gericht op de vraag of hij op grond van artikel 8 van KB 164 vanaf 3
november 1991 verzekerd is gebleven ingevolge de AOW. De rechtbank heeft
deze vraag ontkennend beantwoord. De Raad onderschrijft dit, hiervoor
weergegeven, oordeel van de rechtbank en merkt daarbij op dat de
rechtbank op grond van de genoemde rechtspraak van de Raad en de Hoge
Raad terecht heeft geconcludeerd dat een VUT-uitkering niet een
uitkering ingevolge een sociale verzekeringswetgeving is, zodat het
ontvangen van een VUT-uitkering in het buitenland op grond van deze
bepaling niet kan leiden tot verzekering ingevolge de
volksverzekeringen.
Voorts heeft de rechtbank naar īs Raads oordeel terecht overwogen dat
appellant niet voldoet aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen
voor de overgangsvoordelen, nu appellant niet voldoet aan de in artikel
56, aanhef en onder b, van de AOW genoemde voorwaarde dat hij in
Nederland woont.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat de door appellant genoemde
omstandigheden welke ertoe hebben geleid dat hij naar Bonaire is
verhuisd er niet toe kunnen leiden dat in afwijking van de
dwingendrechtelijke bepalingen van de AOW aangenomen kan worden dat
appellant wel verzekerd is gebleven ingevolge die wet.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 januari
2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met
zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|