|
Uitspraak
00/4037
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, op
daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 juli 2000,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 februari 2003,
waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Van Ham,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J.N.
Keuper, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is [in] 1932 geboren in Turkije en is aldaar op 1 januari 1950
gehuwd met [naam echtgenote], geboren [in] 1936. In mei 1966 is
appellant naar Nederland gekomen en heeft vervolgens hier te lande
werkzaamheden in loondienst verricht. Appellant is vanaf 1966 in
Nederland blijven wonen en zijn echtgenote is in Turkije blijven wonen,
alwaar appellant ook enige maanden per jaar verblijft.
Gedaagde heeft ingaande 1 juni 1997 aan appellant een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 82%
van het pensioen voor een gehuwde. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan
dat appellant van 1 januari 1957 tot en met 10 mei 1966 niet verzekerd
is geweest ingevolge de AOW en dat appellant voldoet aan de voorwaarden
om in aanmerking te komen voor de zogenoemde overgangsvoordelen voor
tijdvakken gelegen vóór 1 januari 1957. Tevens heeft gedaagde bij
besluit van 4 april 1997 met ingang van 1 juni 1997 een toeslag
ingevolge de AOW aan appellant toegekend, waarop een korting is
toegepast van 32%. Gedaagde heeft besloten tot deze korting, omdat de
echtgenote van appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW
vanaf 1 januari 1957 tot 1 februari 1968 en zij niet voldoet aan een van
de voorwaarden op grond waarvan het tijdvak vanaf haar 15e verjaardag
tot 1 januari 1957 als verzekerd tijdvak in aanmerking kan worden
genomen, omdat zij niet in Nederland woont. Bij besluit van 19 augustus
1997, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van
appellant tegen de korting op de aan hem toegekende toeslag ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard, voorzover gedaagde bij dat besluit het tijdvak van 11
mei 1966 tot 1 februari 1968 niet heeft aangemerkt als verzekerd
tijdvak, en dat besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank bepaald
dat haar uitspraak wat betreft voornoemd tijdvak in de plaats treedt van
het in zoverre vernietigde besluit en heeft zij de korting op de toeslag
vastgesteld op 28%. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep van
appellant ongegrond verklaard.
Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak,
voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Zoals nader ter
zitting van de Raad toegelicht kan appellant zich niet verenigen met de
korting op de toeslag voorzover die betrekking heeft op het tijdvak van
20 september 1951 tot 1 januari 1957, op de grond dat niet zou worden
voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de zogenoemde
overgangsvoordelen. Appellant is op een drietal gronden van oordeel dat
gedaagde ten onrechte een korting toepast voor dit tijdvak. Ten eerste
meent appellant dat artikel 13, tweede lid, van de AOW geen grondslag
biedt voor een korting met betrekking tot tijdvakken gelegen vóór 1
januari 1957. Ten tweede stelt appellant dat hij op grond van artikel 27
van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek
Turkije inzake sociale zekerheid (Trb. 1966, nr. 155, hierna: het
Verdrag) in aanmerking komt voor de overgangsvoordelen. Ten derde stelt
appellant dat sprake is van een vorm van indirect onderscheid naar
nationaliteit die strijdig is met artikel 3, eerste lid, van Besluit
3/80 van de Associatieraad EG-Turkije.
De Raad stelt voorop dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de
vraag of gedaagde terecht een korting heeft toegepast op de aan
appellant toegekende toeslag op zijn ouderdomspensioen ingevolge de AOW
voor het tijdvak van 20 september 1951 tot 1 januari 1957, waarbij de
Raad zich zal beperken tot de bespreking van de hiervoor weergegeven
grieven van appellant.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de AOW wordt een korting toegepast
op het pensioen van 2% voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde
na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar doch vóór het bereiken van
de 65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest. Eenzelfde korting wordt
op grond van het tweede lid van deze bepaling toegepast op de toeslag
voor elk kalenderjaar dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde na
het bereiken van zijn 15-jarige leeftijd en voor het bereiken van de
65-jarige leeftijd van de pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest.
Voorts is in de eerste volzin van artikel 55 van de AOW bepaald dat voor
de toepassing van artikel 13, eerste lid, van de AOW personen die vóór
1 januari 1957 de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt, onder bepaalde
voorwaarden geacht kunnen worden verzekerd te zijn geweest vanaf hun
15de levensjaar. De tweede volzin van dit artikel luidt aldus:
"Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin, wordt,
uitsluitend voor de vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel 8
met toepassing van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onderdeel a,
de jongere echtgenoot van de pensioengerechtigde geacht het 59ste
levensjaar te hebben voleindigd op dezelfde dag als de
pensioengerechtigde."
De Raad stelt allereerst vast dat uit de eerste volzin van artikel 55
voortvloeit dat de korting bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de AOW
ook betrekking heeft op tijdvakken gelegen vóór 1 januari 1957,
voorzover niet voldaan is aan de voorwaarden op grond waarvan
betrokkenen geacht kunnen worden voor die datum verzekerd te zijn
geweest. Hoewel de tweede volzin van artikel 55 hieromtrent minder
duidelijk is, is de Raad van oordeel dat deze bepaling, nu daarin wordt
gesproken over de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin, aldus
verstaan dient te worden dat de korting op de toeslag op dezelfde wijze
berekend dient te worden, behoudens de hiervoor vermelde specifieke
regeling omtrent het bereiken van de leeftijd van 59 jaar voor de
jongere echtgenoot. Dit betekent dat de eerste grief van appellant niet
slaagt.
Alvorens over te gaan tot de bespreking van de overige twee grieven van
appellant, welke beide betrekking hebben op de vraag of de echtgenote
van appellant met toepassing van bepalingen van internationaal recht
voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de zogenoemde
overgangsvoordelen, stelt de Raad vast dat op grond van de artikelen 55
en 56 van de AOW -kort samengevat- aanspraak bestaat op deze
overgangsvoordelen wat betreft de aanspraak op toeslag indien en zolang
de echtgenote van appellant:
a. Nederlandse is, dan wel haar nationaliteit gelijkgesteld kan worden
met de Nederlandse nationaliteit;
b. vanaf de 59ste verjaardag van appellant ten minste zes jaren in
Nederland heeft gewoond, waarbij tijdvakken van verzekering ingevolge de
AOW gelijkgesteld worden met wonen in Nederland;
c. in Nederland woont.
Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote van appellant
voldoet aan de onder a en b genoemde voorwaarden. Aan de onder c
genoemde voorwaarde voldoet zij echter niet, zodat op grond van het
bepaalde in de AOW geen aanspraak bestaat op de overgangsvoordelen.
Namens appellant is aangevoerd dat op grond van artikel 27, tweede lid,
van het Verdrag wel aanspraak bestaat op deze voordelen. Dit artikellid
luidt aldus: "De in de Nederlandse wettelijke regeling inzake de
ouderdomsverzekering bedoelde overgangsvoordelen voor personen die op 1
januari 1957 tussen 15 en 65 jaar oud waren, worden aan Turkse
onderdanen onder dezelfde voorwaarden toegekend als aan Nederlandse
onderdanen."
De Raad is anders dan appellant van oordeel dat op grond van deze
bepaling niet aangenomen kan worden dat de echtgenote van appellant
voldoet aan de voorwaarde dat zij in Nederland woont. Het hiervoor
weergegeven artikellid voorziet in een gelijke behandeling van Turkse en
Nederlandse onderdanen, hetgeen inhoudt dat aan Turkse onderdanen geen
andere voorwaarden gesteld mogen worden dan aan Nederlandse onderdanen.
Op grond van deze bepalingen kan de hiervoor onder a genoemde voorwaarde
derhalve niet aan Turkse onderdanen tegengeworpen worden, doch daaruit
volgt naar het oordeel van de Raad geenszins dat ook de hiervoor onder c
genoemde voorwaarde niet voor Turkse onderdanen gesteld kan worden. Ook
Nederlandse onderdanen die niet in Nederland wonen komen op grond van de
hiervoor weergegeven bepalingen immers niet in aanmerking voor de
overgangsvoordelen. De Raad is derhalve van oordeel dat het tweede lid
van artikel 27 van het Verdrag niet voorziet in een gelijkstelling voor
Turkse onderdanen van wonen in Turkije met wonen in Nederland, zodat ook
de tweede grief van appellant niet kan slagen.
Ten aanzien van de stelling van appellant dat de voorwaarden voor de
aanspraak op overgangsvoordelen voor de ten laste komende echtgenote een
vorm van indirecte discriminatie naar nationaliteit oplevert die
strijdig is met artikel 3 van Besluit 3/80, kan en zal de Raad in het
midden laten of deze bepaling in dit geval van toepassing is nu de
echtgenote van appellant niet op het grondgebied van een lidstaat van de
EG woont. Voorts merkt de Raad op dat voorzover in deze zaak al
gesproken kan worden van een indirect onderscheid naar nationaliteit dit
onderscheid in belangrijke mate samenhangt met een onderscheid naar
woonplaats, nu appellant uitsluitend op de grond dat zijn echtgenote
niet in Nederland woont, niet voldoet aan de voorwaarden voor aanspraak
op overgangsvoordelen voor wat betreft de hoogte van zijn toeslag.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de korting op de toeslag op
de grond dat de echtgenote van appellant niet voldoet aan laatstgenoemde
voorwaarde niet onverenigbaar is met de norm van gelijke behandeling als
neergelegd in artikel 3 van Besluit 3/80, noch met enige andere
supranationaalrechtelijke of verdragsrechtelijke bepaling. Daarbij acht
ook de Raad de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG met betrekking
tot artikel 10 van EG-Verordening 1408/71 en het karakter van het
AOW-pensioen als een opbouwstelsel van wezenlijk belang en onderschrijft
de Raad hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen. Dit betekent
dat ook de derde grief van appellant faalt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|