|
Uitspraak
00/5554
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant is mr. A. Huijsman, werkzaam bij het Christelijk
Nationaal Vakverbond, op nader aan te voeren gronden, in hoger beroep
gekomen van de door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 28
september 2000 tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij brief van 5 februari 2001 heeft mr. Huijsman aan de Raad bericht dat
zij zich terugtrekt als gemachtigde van appellant.
Bij brief - annex bijlagen - gedagtekend 1 maart 2001 heeft appellant de
gronden aangegeven waarop het beroep rust.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief gedateerd 17 januari 2003 heeft appellant nadere stukken
ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 7 februari 2003 waar partijen - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren [in] 1930, ontvangt sedert 1 februari 1995 bij zijn
AOW-pensioen een inkomenafhankelijke toeslag voor zijn echtgenote. Bij
brief gedateerd 25 maart 1997 heeft appellant aan gedaagde een wijziging
in de (WW-)uitkering van zijn echtgenote medegedeeld. Aangegeven wordt
dat het inkomen van zijn echtgenote fl. 668,- per maand bedraagt. Bij
brief van 2 juni 1997 heeft appellant wederom gegevens betreffende de
uitkering van zijn echtgenote aan gedaagde doen toekomen. Uit een
tweetal zich onder de gedingstukken bevindende stukken gedateerd 6 en 7
oktober 1997 leidt de Raad af dat appellant aan gedaagde heeft
medegedeeld dat hij van het GAK heeft vernomen dat de WW-uitkering van
zijn echtgenote in januari 1997 is toegekend met terugwerkende kracht
vanaf 24 juni 1996. Met ingang van dezelfde datum is een
arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Uit informatie van de
werkgever van appellants echtgenote is appellant gebleken van
nabetalingen door de werkgever in de maanden juni en augustus 1996.
Bij besluit van 17 oktober 1997 heeft gedaagde appellants toeslag op
diens AOW-pensioen, in verband met de inkomsten van zijn echtgenote,
over de maanden juni tot en met september 1996, alsmede de maanden
januari en juli 1997 herzien. De teveel betaalde toeslag ad fl. 8.642,31
wordt teruggevorderd. Tevens is daarbij een verrekeningsvoorstel gedaan.
Voorgesteld wordt vanaf januari 1998 fl. 600,- per maand te verrekenen
met het AOW-pensioen.
Appellant heeft bij brief gedateerd 10 november 1997 bezwaar gemaakt
tegen de terugvordering en aangegeven het niet eens te zijn met het
verrekeningsvoorstel.
Bij besluit van 11 maart 1998 is het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 31 maart 1999 het beroep
tegen het in die procedure bestreden besluit gegrond verklaard, dit
besluit vernietigd en opdracht gegeven binnen zes weken na verzending
van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met
inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft de vernietiging doen
steunen op de overweging dat gedaagde bij dit besluit geen onderscheid
heeft gemaakt naar de toepasselijke wettelijke terugvorderingsbepalingen
vóór en na 1 augustus 1996.
Gedaagde heeft daarop een onderzoek ingesteld naar de
aflossingscapaciteit van appellant.
Bij besluit van 10 april 2000 - het in deze procedure bestreden besluit
-
is, onder toepassing van de correcte terugvorderingsbepalingen, het
besluit van 17 oktober 1997 gehandhaafd. De maandelijkse
terugbetaling/verrekening van de door appellant te veel ontvangen
AOW-toeslag is vastgesteld op fl. 500,- per maand.
Bij uitspraak van 28 september 2000 heeft de rechtbank Rotterdam op het
door appellant ingestelde beroep beslist.
De rechtbank heeft voorop gesteld dat tussen partijen niet in geschil is
dat de toeslag - achteraf - ten onrechte is betaald, en dat derhalve de
onverschuldigdheid van de betaling daarvan tussen partijen vaststaat.
Daaropvolgend heeft de rechtbank geconstateerd dat de vernietiging door
de rechtbank van het besluit van 17 oktober 1997 steunde op een
motiveringsgebrek. Gedaagde had het bezwaar dan ook gegrond moeten
verklaren en, onder herroeping van het besluit van 17 oktober 1997, een
nieuw besluit moeten nemen.
Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat de terugvordering - in de
onderscheiden perioden - de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Datzelfde geldt voor de verrekeningsbeslissing.
Op die gronden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het
bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar ongegrond
is verklaard en het besluit van 17 oktober 1997 is gehandhaafd. Verder
heeft de rechtbank bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van
het vernietigde deel van het bestreden besluit, hetgeen inhoudt dat het
dictum van dit besluit luidt dat het bezwaar gegrond wordt verklaard,
dat het besluit van 17 oktober 1997 wordt herroepen en dat voor het
overige wordt besloten zoals vermeld in het bestreden besluit.
In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat de rechtbank, ten
onrechte, geen gevolgen heeft verbonden aan de overschrijding door
gedaagde van de termijn voor het indienen van een verweerschrift. Verder
wordt aangevoerd dat appellant geen inzicht had in het inkomen van zijn
echtgenote, terwijl zijn echtgenote deze gegevens niet vrij gaf. Navraag
bij het GAK leerde dat het GAK aan hem deze gegevens niet mocht
verstrekken, terwijl de gegevens wél aan de SVB werden verstrekt.
Verder wordt aangevoerd dat de gang van zaken een negatieve invloed
heeft gehad op de gezondheid van appellant en dat gedaagde
administratief haar zaken niet op orde heeft (waarvan appellant de dupe
is).
De Raad oordeelt als volgt.
Met betrekking tot de klacht dat de rechtbank ten onrechte de
overschrijding van de termijn voor het indienen van een verweerschrift
door gedaagde zou hebben gepardonneerd, overweegt de Raad dat de in
artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn
een termijn van orde is, zodat aan overschrijding van die termijn in
beginsel geen gevolgen zijn verbonden. Door appellant zijn geen feiten
en/of omstandigheden gesteld, die moeten meebrengen dat daar in het
onderhavige geval anders over zou moeten worden geoordeeld.
Ten gronde stelt de Raad voorop dat het geschil tussen partijen in hoger
beroep beperkt is tot dat onderdeel van het bestreden besluit dat ziet
op de terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag.
Ten aanzien van de periode vóór 1 augustus 1996 overweegt de Raad als
volgt. Appellants grief dat hij geen inzicht had in het inkomen van zijn
echtgenote vindt geen steun in de gedingstukken. Uit de hiervoor
weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat appellant op de hoogte
was van de relevantie van wijzigingen in het inkomen van zijn echtgenote
voor (de hoogte van) zijn recht op toeslag, als ook dat appellant
meerdere malen een dergelijke inkomenswijziging aan gedaagde heeft
doorgegeven. Naar het oordeel van de Raad had het appellant derhalve
redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij teveel aan toeslag ontving.
Gedaagde was dan ook, gezien artikel 24, derde lid, aanhef en onder a,
van de AOW, zoals deze bepaling destijds luidde, bevoegd de
onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen. De gebruikmaking van
die bevoegdheid door gedaagde kan, naar het oordeel van de Raad, de hier
toepasselijke beperkte rechterlijke toetsing doorstaan.
Ten aanzien van de periode ná 1 augustus 1996 kunnen, naar het oordeel
van de Raad, de door appellant aangedragen feiten en omstandigheden niet
worden aangemerkt als 'dringende redenen' als bedoeld in artikel 24,
tweede lid, van de AOW, zodat, ingevolge het eerste lid van deze
bepaling, gedaagde verplicht was de na genoemde datum aan appellant
onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen.
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 maart
2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|