|
Uitspraak
01/4447
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Marokko), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep
gekomen tegen de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 6 juli 2001,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft appellant nadere stukken overgelegd en informatie
verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 april 2003, waar
voor appellant is verschenen mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, terwijl gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft op 19 september 2000 zich bij appellant aangemeld voor de
vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en
de Algemene nabestaandenwet (Anw). Bij besluit van 4 oktober 2000 heeft
gedaagde dit verzoek ingewilligd. Bij dat besluit was een premienota
gevoegd, waarin onder meer waren vermeld de (voorlopig) vastgestelde
hoogte van de premie en de uiterste termijn binnen welke de premie
diende te worden voldaan.
Bij brief gedateerd 19 oktober 2000 heeft gedaagde bezwaar gemaakt tegen
het besluit van 4 oktober 2000. Verzocht wordt om de premie in te houden
van gedaagdes uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Aan appellant wordt verzocht
dit te regelen met GAK Nederland B.V.
Bij brief van 31 oktober 2000 heeft appellant aan gedaagde laten weten
niet aan diens verzoek te kunnen voldoen. Aangegeven wordt verder dat
appellant in de brief van gedaagde van 19 oktober 2000 geen bezwaren
tegen het besluit van 4 oktober 2000 heeft kunnen ontdekken. Verzocht wordt, desgewenst,
alsnog de bezwaren tegen het besluit van 4 oktober 2000 nader aan te
geven.
Bij brief van 15 november 2000 geeft gedaagde aan dat zijn brief van 19
oktober 2000 als bezwaar moet worden aangemerkt omdat aan hem is
verzocht in één keer het gehele bedrag van de premie te betalen.
Gedaagde merkt op dat bedrag op dat moment niet ter beschikking te
hebben. De WAO-uitkering die gedaagde geniet is daartoe niet voldoende.
Vandaar het verzoek om de verschuldigde premie in mindering te brengen
op de (maandelijkse) uitbetaling van de WAO-uitkering.
Bij besluit van 28 december 2000 heeft appellant het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard. Overwogen wordt dat appellant in de brief
van gedaagde geen bezwaren heeft kunnen ontdekken tegen het besluit van
4 oktober 2000. Het bezwaar richt zich tegen het feit dat het verzoek om
de verschuldigde premie op de WAO-uitkering in te houden niet wordt
ingewilligd, maar de wijze van betaling is geen onderdeel van de
bestreden beslissing, aldus appellant.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de bijlage bij het besluit van 4
oktober 2000 als een (afzonderlijk) besluit in de zin van artikel 1:3,
eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. De in de bijlage vermelde
mededeling heeft immers als rechtsgevolg dat de door gedaagde
verschuldigde premie niet wordt verrekend en dat hij de premie zelf
dient te betalen. Deze mededeling heeft voorts een publiekrechtelijk
karakter, omdat in artikel 2, eerste lid, van het Besluit vrijwillige
verzekering AOW en Anw onder andere is bepaald dat appellant zo spoedig
mogelijk nadat de belanghebbende te kennen heeft gegeven zijn
verzekering op grond van de AOW en de Anw te willen voortzetten,
meedeelt op welke wijze de betaling van de premie dient te geschieden.
Onder de wijze van betaling moet naar het oordeel van de rechtbank ook
worden verstaan de verrekening met een andere uitkering, zodat een
beslissing waarbij wordt geweigerd de premie te verrekenen, een
rechtshandeling van publiekrechtelijke aard is.
Het gaat in het onderhavige geding om de vraag of appellant met recht
gedaagde niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaren tegen
gedaagdes besluit van 4 oktober 2000.
De Raad stelt voorop dat hij, met de rechtbank, van oordeel is dat de
bijlage bij het besluit van 4 oktober 2000, waarin onder meer de
(voorlopige) hoogte van de premie is vastgelegd en de wijze van betaling
is aangegeven, moet worden aangemerkt als een separaat, voor bezwaar en
beroep vatbaar, besluit. De Raad wijst erop dat uit artikel 4, eerste
lid, van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw voortvloeit dat
appellant verplicht was mede te delen welke premie verschuldigd is en
binnen welke termijnen en op welke wijze de betaling aan appellant
diende te geschieden. De Raad merkt hierbij nog op dat volgens de
beleidsregels van appellant, indien de belanghebbende hierom gemotiveerd
verzoekt, in beginsel een gespreide betaling over twaalf maanden
vastgesteld kan worden.
Nu gedaagde blijkens zijn schrijven van 31 oktober 2000 onder meer
bezwaar heeft gemaakt tegen de betaling van het gehele bedrag in één
keer, kan de conclusie geen andere zijn dan dat gedaagde in zijn
bezwaren tegen het, blijkens het voorgaande in de premienota vervatte,
'betalingsbesluit' ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad concludeert dat de uitspraak van de rechtbank, zij het deels op
andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten
die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen
termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat van de Sociale verzekeringsbank een recht wordt geheven van € 348,--
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|