|
Uitspraak
02/88
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de
Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens
verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. G. Bakker, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Groningen, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Groningen van 19 november 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 april 2003, waar
appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.E. van den Berg, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij in bezwaar gehandhaafd besluit van 18 februari 2000 heeft gedaagde
aan appellant met ingang van juli 2000 een ouderdomspensioen ingevolge
de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Gedaagde heeft op dit pensioen
een korting toegepast van 3 x 2%. Deze korting heeft betrekking op de
jaren 1967, 1968 en 1969, waarover appellant bij besluiten van 21, 22 en
23 november 1972 schuldig nalatig is verklaard de verschuldigde premie
ingevolge de AOW te betalen.
Appellant heeft in beroep en hoger beroep doen aanvoeren dat hij de
besluiten van 21, 22 en 23 november 1972 niet, althans niet per brief
met ontvangstbevestiging, heeft ontvangen. Appellant heeft in 1975 een
betalingsregeling met de belastingdienst getroffen voor achterstallige
belastingen en premies. Hij ging ervan uit dat deze ook betrekking had
op de premies volksverzekeringen over de jaren 1967, 1968 en 1969.
Voorts meent appellant dat de SVB in strijd met zijn beleid geen
zorgvuldig onderzoek naar de oorzaak van het niet betalen van de premies
heeft ingesteld, nu hij reeds in 1972 heeft aangegeven dat sprake was
van faillissement, ziekte, minimale inkomsten en ambtshalve aanslagen.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De
rechtbank heeft hiertoe geoordeeld dat appellant moet worden geacht de
besluiten waarbij hij schuldig nalatig is verklaard te hebben ontvangen,
en dat deze rechtens onaantastbaar zijn geworden, zodat vaststaat dat
appellant over de jaren 1967, 1968 en 1969 schuldig nalatig is gebleven
de verschuldigde premie te betalen. Van onzorgvuldige voorbereiding van
het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake
geweest.
De Raad overweegt als volgt.
Naar gedaagde ter terechtzitting van de Raad heeft erkend, dient er in
het onderhavige geding van te worden uitgegaan dat de besluiten waarbij
appellant schuldig nalatig is verklaard de verschuldigde premie
ingevolge de AOW te betalen, niet-aangetekend zijn verzonden. Volgens
vaste jurisprudentie komt het risico dat niet-aangetekend verzonden
stukken niet worden ontvangen, in beginsel voor rekening van de
afzender. In casu is de Raad evenwel tot de conclusie gekomen, dat bij
uitzondering voldoende concrete aanknopingspunten aanwezig zijn om aan
het niet-aangetekend verzenden van de betreffende besluiten door
gedaagde niet de consequentie te verbinden dat appellant wordt vermoed
deze besluiten niet te hebben ontvangen. De Raad overweegt hiertoe dat
appellant de ontvangst van deze drie, op achtereenvolgende dagen
gedateerde, besluiten op niet stellige wijze en voor het eerst in eerste
aanleg heeft ontkend, dat de besluiten naar het adres zijn verzonden
waar appellant ten tijde in geding woonde en nog steeds woont, dat
appellant een eerder schrijven van gedaagde van 6 november 1972 inzake
een mogelijke schuldignalatigverklaring wel heeft ontvangen, dat in
dit schrijven werd aangekondigd dat appellant van gedaagde nader bericht
zou ontvangen, dat appellant, na de gevraagde inlichtingen aan gedaagde
te hebben verstrekt, zich gedurende een periode van ruim 29 jaren niet
tot gedaagde heeft gewend inzake het uitblijven van een vervolgbericht,
en dat ten slotte niet is gebleken van algemene problemen met de
postbezorging in 1972. De Raad gaat er derhalve van uit dat appellant de
besluiten waarbij hij schuldig nalatig is verklaard, ook heeft
ontvangen, en dat deze besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden nu
appellant hiertegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Er is dan ook
geen aanleiding om aan appellant op de voet van eerdere jurisprudentie
van de Raad (CRvB 11 mei 1988, RSV 1989/8; CRvB 17 mei 1989, RSV 1990/24) alsnog een zekere termijn te
gunnen voor het betalen van de jaarpremies over 1967, 1968 en 1969.
Gedaagde kon derhalve definitief besluiten over de op het
ouderdomspensioen van appellant toe te passen korting.
Appellant is in 1975 een betalingsregeling overeengekomen met de
belastingdienst. Deze regeling heeft voor wat betreft de premieheffing
uitsluitend betrekking op 1971 en latere jaren, en is voor het
onderhavige geding dan ook zonder betekenis.
De Raad kan appellant ten slotte niet volgen in zijn stelling dat
gedaagde het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid door geen
nader onderzoek in te stellen naar de oorzaak van het niet betalen van
premies volksverzekeringen in de jaren 1967, 1968 en 1969. Naar gedaagde
ter zitting ook heeft verklaard, heeft de aangehaalde passage uit de
Beleidsregels SVB uitsluitend betrekking op de voorbereiding van
besluiten waarbij wordt vastgesteld dat van een schuldig nalaten sprake
is. Dergelijke besluiten zijn hier echter niet in geding. Ook overigens
is de Raad van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit
niet gebleken.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden
bevestigd.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake
een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|