|
Uitspraak
00/3894
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 2, 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 3
juli 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. N. van 't Hoogerhuijs, advocaat te Amsterdam,
een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 4 maart 2003, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij
de Sociale verzekeringsbank, terwijl gedaagde in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. Van 't Hoogerhuijs.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren [in] 1934, heeft op 15 november 1998 appellant
verzocht haar ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW)
toe te kennen. Zij gaf op ongehuwd te zijn en haar huisvesting met geen
ander persoon te delen. Bij besluit van 10 december 1998 heeft appellant
gedaagde een AOW-pensioen toegekend met ingang van 1 februari 1999, ter
hoogte van het volledige pensioen voor een ongehuwde.
Op 18 februari 1999 hebben gedaagde en [naam partner] (hierna: [naam
partner]) zich als partners laten registreren. Op 23 februari 1999 heeft
gedaagde een uittreksel uit de akte van partnerschapsregistratie aan
appellant doen toekomen en daarbij vermeld dat zij in [woonplaats] en
[naam partner] in [woonplaats partner] woonachtig is.
Bij besluit van 1 april 1999 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat
zij als gehuwd wordt aangemerkt en dat haar ouderdomspensioen met ingang
van maart 1999 wordt herzien naar het maximale AOW-pensioen voor een
gehuwde. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 1 april 1999 heeft
appellant beslist dat gedaagde geen recht heeft op een toeslag en dat
het te veel betaalde ouderdomspensioen over de maanden maart en april
1999 tot een bedrag van f 1.044,86 van haar wordt teruggevorderd. Het
tegen deze besluiten gemaakte bezwaar is gegrond verklaard bij besluit
van 26 augustus 1999. Daarbij is als reden opgegeven dat uit
jurisprudentie blijkt dat appellant verplicht is om in ιιn beschikking
te beslissen over de terugvordering en invordering. Met
vervallenverklaring van de primaire besluiten is vervolgens opnieuw
bepaald dat gedaagde met ingang van maart 1999 recht heeft op het
maximale AOW-pensioen voor een gehuwde en dat op grond van het inkomen
van [naam partner] geen toeslag wordt uitbetaald. In hetzelfde besluit
is het besluit tot terugvordering ongewijzigd opgenomen en tevens over
de wijze van invordering beslist.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling
omtrent griffierecht - het tegen het besluit van 26 augustus 1999
ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant
opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van
haar uitspraak. De rechtbank is - samengevat - van oordeel dat in het
geval van gedaagde sprake is van duurzaam gescheiden leven vanaf de
datum waarop het geregistreerd partnerschap is aangegaan.
Appellant heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep gemotiveerd
bestreden.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW wordt in
die wet en de daarop berustende bepalingen met een gehuwde gelijk
gesteld de als partner geregistreerde. Artikel 1, derde lid, aanhef en
onder b, van de AOW bepaalt dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt
degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd
is.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de AOW wordt het ouderdomspensioen
herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend voor een lager
ouderdomspensioen in aanmerking komt.
De Raad sluit evenals de rechtbank niet uit dat van duurzaam gescheiden
leven in de zin van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW
van - met gehuwden gelijk te stellen - geregistreerde partners reeds
sprake kan zijn vanaf de datum van registratie van hun partnerschap.
Geregistreerde partners kunnen vanaf die datum als duurzaam gescheiden
levend worden aangemerkt, indien er sprake is van een door (een of
beide) partners gewilde en als bestendig bedoelde situatie waarbij de
feitelijke toestand uitwijst dat beiden ieder afzonderlijk hun eigen
leven (blijven) leiden.
Van een dergelijke situatie is sprake in het geval van gedaagde en [naam
partner]. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting
acht de Raad het aannemelijk dat gedaagde en [naam partner] zowel voor
als na het aangaan van hun partnerschap op 18 februari 1999 gescheiden
huishoudingen hebben gevoerd in hun woningen in [woonplaats] respectievelijk [woonplaats partner]. Gedaagde en [naam partner] hebben
feitelijk nooit in dezelfde woning samengeleefd en zij zijn volgens
gedaagde ook niet voornemens daarin verandering te brengen.
Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep naar voren is
gebracht acht de Raad onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Aan
de omstandigheid dat in artikel 7 van de akte houdende
partnerschapsvoorwaarden wordt gesproken over "het voldoen van de
kosten van de gemeenschappelijke huishouding uit de inkomens van de
partners naar evenredigheid daarvan" en aan het gestelde dat
gedaagde bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds een partnerpensioen
heeft aangevraagd en regelmatig contact heeft met [naam partner], kan de
Raad in het licht van de zojuist vastgestelde feiten niet die betekenis
toekennen die appellant daaraan toegekend wenst te zien. De Raad
vermeldt in dit verband nog dat gedaagde tijdens bezwaar heeft
aangegeven dat alle financiλle zaken gescheiden zijn en dat het
betreffende artikel uit de akte een standaardbepaling is die geen recht
doet aan de feitelijke situatie van gedaagde. Uit de gedingstukken
blijkt in het geheel niet dat vanaf 18 februari 1999 feitelijk sprake is
geweest van bijdragen over en weer in de kosten van elkaars
huishoudingen. Ter zitting van de rechtbank heeft gedaagde verklaard dat
zij en [naam partner] elkaar soms een keer per week en soms een keer per
maand zien maar dat zij niet bij elkaar wonen. De gedingstukken bevatten
geen aanwijzingen om aan te nemen dat de feitelijke woonsituatie ten
tijde hier van belang anders was dan gedaagde heeft verklaard.
Uit het voorgaande vloeit voort dat appellant gedaagde als duurzaam
gescheiden levend van [naam partner] had moeten aanmerken. Dit brengt
mee dat voor herziening van het aan gedaagde toegekende
ouderdomspensioen naar het bedrag voor een gehuwde pensioengerechtigde
geen plaats was. Dit betekent tevens dat aan het besluit tot terug- en
invordering van teveel betaald ouderdomspensioen de grondslag is komen
te ontvallen.
Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar
dienen te nemen.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om appellant te veroordelen in
de proceskosten van gedaagde. Deze worden begroot op 644,-- voor in
hoger beroep verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
644,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat van de Sociale verzekeringsbank een recht van 348,--
wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C.
van Sloten en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 15 april 2003.
(get.) G.A.J. van den Hurk
(get.) A. Heijink
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de AOW kan
ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending
of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam
gescheiden leven volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen
zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum
een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden)
aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|