|
Uitspraak
01/5780
AOW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:75a van de Algemene wet bestuursrecht inzake de kosten van het geding
tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], appellante, thans verzoekster,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. INLEIDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad
van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit
die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale
Verzekeringsbank.
In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan de Sociale
Verzekeringsbank.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 26 oktober 1999 heeft
gedaagde het ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet van
verzoekster met ingang van augustus 1995 herzien naar het pensioen voor
een gehuwde, omdat, naar kennelijk is beoogd, verzoekster naar het
oordeel van gedaagde sinds juli 1995 niet langer duurzaam gescheiden
leeft van haar echtgenoot [naam echtgenoot].
Gedaagde heeft het zijns inziens onverschuldigd aan verzoekster betaalde
ouderdomspensioen van verzoekster teruggevorderd. Verzoekster heeft
inmiddels 18 termijnen van € 181,51 en twee maal het bij het
ouderdomspensioen behorende vakantiegeld aan gedaagde terugbetaald.
Ter zitting van de Raad op 4 juli 2003, waar verzoekster in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr. A. Rijkelijkhuizen, advocaat te
Amstelveen, en waar namens gedaagde is verschenen H.J.M. de Wit,
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, is op initiatief van de Raad
een minnelijke schikking tot stand gekomen. Partijen zijn overeengekomen
dat verzoekster in juli 2003 nog een bedrag van € 181,51 aan gedaagde
zal betalen. Daarna zal verzoekster jegens gedaagde volledig gekweten
zijn.
Gedaagde heeft toegezegd met [naam echtgenoot], die ter zitting is
verschenen teneinde door de Raad als getuige te worden gehoord, een
overeenkomstige regeling te zullen treffen.
Verzoekster heeft hierop haar hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig
aan de Raad verzocht gedaagde in de proceskosten te veroordelen.
Gedaagde heeft zich met betrekking tot dit verzoek gerefereerd aan het
oordeel van de Raad.
II. MOTIVERING
Nu het hoger beroep is ingetrokken omdat gedaagde gedeeltelijk aan
verzoekster is tegemoet gekomen, is er aanleiding om gedaagde met
toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te
veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van verzoekster. In beroep
zijn deze kosten begroot op € 644,= en in hoger beroep op € 644,=.
Voorts komen voor vrgoeding in aanmerking de reiskosten die verzoekster
heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank ad €
10,= en voor het bijwonen van de zitting van de Raad ad € 10,=.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoekster, in eerste
aanleg tot een bedrag groot € 654,= en in hoger beroep tot een bedrag
groot € 654,=, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het griffierecht van € 104,37
aan verzoekster dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15
augustus 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|