|
Uitspraak
00/2707
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Amsterdam van 4 april 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft vervolgens bij
brieven van 19 februari 2001 en 20 maart 2001 (met bijlagen) een vraag
van de Raad beantwoord.
Bij schrijven van 16 augustus 2002 heeft appellant zijn beroepschrift
aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 augustus 2002,
waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich, daartoe
opgeroepen, heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.A. Zieck, werkzaam
bij de Sociale verzekeringsbank.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 17
september 2002 gedaagde een vraag voorgelegd, die vanwege gedaagde bij
schrijven van 25 september 2002 is beantwoord. Bij brief van 1 oktober
2002 heeft gedaagde vervolgens een nader besluit van dezelfde datum aan
de Raad doen toekomen.
Desverzocht heeft appellant op 30 oktober 2002 op evenvermelde brieven
van gedaagde gereageerd. Naar aanleiding van dit schrijven heeft
gedaagde bij brieven van 12 en 14 november 2002 zijn standpunt ter zake
van de proceskosten aan de Raad kenbaar gemaakt.
Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend de behandeling van het
geding ter nadere zitting achterwege te laten. Appellant heeft het
toestemmingsformulier vergezeld doen gaan van een schriftelijke
uiteenzetting d.d. 6 december 2002.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 30 juni 1998 heeft gedaagde appellants
bezwaar tegen het primaire besluit van 21 november 1997, waarbij aan
appellant met ingang van mei 1997 een ouderdomspensioen voor een gehuwde
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) is toegekend met een korting
van 58% wegens onverzekerde perioden, ongegrond verklaard.
Blijkens dit nadere besluit wordt het in het bestreden besluit vervatte
standpunt door gedaagde niet langer gehandhaafd en is de hoogte van het
aan appellant toekomende AOW-pensioen alsnog bepaald op 50% van het
volledige pensioen.
In het nadere besluit heeft gedaagde voorts medegedeeld een nabetaling
van netto € 2.967,79 en een bedrag aan wettelijke rente van € 601,21
aan appellant te zullen overmaken.
In antwoord op een brief van de Raad van 9 oktober 2002 heeft appellant
bij schrijven van 30 oktober 2002 verklaard nog belang te hebben bij het
hoger beroep, omdat in het nadere besluit van 1 oktober 2002 niets
geregeld is met betrekking tot de gevraagde (gedeeltelijke) vergoeding
van de door hem geleden schade en de vergoeding van het betaalde
griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep.
Bij brief van 12 november 2002 heeft gedaagde de Raad bericht het
aanvaardbaar te achten de door appellant met het formulier proceskosten
d.d. 28 augustus 2002 tot een bedrag van € 193,13 in rekening
gebrachte kosten aan hem te vergoeden en tevens het betaalde
griffierecht aan appellant te zullen overmaken. Vervolgens heeft
gedaagde op
14 november 2002 een afschrift van een brief van dezelfde datum aan
appellant aan de Raad doen toekomen, waaruit blijkt dat een bedrag van
€ 295,23 (€ 193,13 aan proceskosten en € 102,10 aan griffierecht)
aan appellant is overgemaakt.
Desgevraagd hebben partijen de Raad toestemming verleend om de
behandeling van het hoger beroep ter nadere zitting achterwege te laten.
In een bij het toestemmingsformulier gevoegd schrijven van 6 december
2002 heeft appellant - onder verwijzing naar de door hem ter zitting van
de Raad op 28 augustus 2002 overgelegde pleitnotitie - aangegeven, in
aanvulling op de reeds vergoede renteschade en proceskosten, in
aanmerking te willen komen voor vergoeding van een bedrag van €
1.000,-- voor gemaakte materiële kosten ten behoeve van zijn
verdediging en van een bedrag van eveneens € 1.000,-- voor immateriële
schade (gederfde levensvreugde inclusief morele schade).
De Raad overweegt als volgt.
Gelet op het verzoek om schadevergoeding heeft appellant belang bij
handhaving van het hoger beroep en bij vernietiging van het bestreden
besluit, zodat de Raad daartoe zal overgaan. Gelet daarop dient ook de
aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten,
vernietigd te worden.
Ingevolge 's Raads jurisprudentie komt het verzoek om toepassing van
artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor toewijzing in
aanmerking.
Blijkens het in rubriek I vermelde nadere besluit van 1 oktober 2002
heeft gedaagde aan appellant reeds een bedrag ad € 601,21 vergoed aan
wettelijke rente over het na te betalen AOW-pensioen. De Raad zal
gedaagde hiertoe dan ook niet veroordelen.
Bij brief van 6 december 2002 heeft appellant de Raad medegedeeld ook
aanspraak te maken op vergoeding van een bedrag van € 1.000,-- als
bijdrage in de door hem gemaakte materiële kosten ten behoeve van zijn
proceskosten en eveneens een bedrag van € 1.000,-- wegens immateriële
schade (gederfde levensvreugde, inclusief morele schade).
Met betrekking tot de immateriële schade merkt de Raad op dat appellant
niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanig onder het bestreden
besluit van gedaagde heeft geleden, dat sprake was van geestelijk leed
dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin
van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek om vergoeding
van immateriële schade wijst de Raad derhalve af.
Op grond van artikel 8:75 van de Awb in samenhang met het Besluit
proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan de Raad een partij veroordelen in
de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het
(hoger) beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In artikel 1 van het
Bpb is limitatief aangegeven welke proceskosten voor vergoeding in
aanmerking kunnen komen. Op het formulier proceskosten van 28 augustus
2002 heeft appellant als proceskosten opgevoerd bedragen van € 90,52
en € 78,48 voor reiskosten en bedragen van € 6,45 en € 17,68 voor
verschotten. Blijkens de hierboven genoemde brief van 14 november 2002
heeft gedaagde deze proceskosten inmiddels aan appellant vergoed. Het
door appellant gevorderde bedrag ad € 1.000,-- voor gemaakte materiële
kosten ten behoeve van zijn verdediging kan naar het oordeel van de Raad
op grond van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu er
geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
en deze kosten evenmin onder andere limitatief in dit besluit genoemde
kosten gerangschikt kunnen worden. Dit verzoek wordt om die reden
afgewezen.
Hoewel gedaagde inmiddels het betaalde griffierecht reeds aan appellant
heeft vergoed dient de raad op grond van artikel 25, eerste lid, van de
Beroepswet te bepalen dat gedaagde het griffierecht van € 102,10
vergoedt.
Ten slotte merkt de Raad naar aanleiding van het beroep van appellant op
het arrest van het Hof van Justitie EG van 28 juni 2001 (C-118/00, Larsy)
op dat niet kan worden gezegd dat het nationale Nederlandse procesrecht
zich, ten aanzien van de aanspraak op schadevergoeding of vergoeding van
proceskosten, verzet tegen een effectieve bescherming van de rechten die
appellant aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht
ontleent.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 1998 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Wijst het verzoek van appellant om gedaagde te veroordelen tot een
schadevergoeding af;
Wijst het verzoek van appellant om gedaagde te veroordelen tot
vergoeding van proceskosten, voorzover meer gevorderd is dan het door
gedaagde reeds vergoede bedrag ad € 193,13, af;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde
griffierecht van € 102,10 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
prof. mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2003.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|