|
Uitspraak
1993/42 AOW en 1993/84 AWW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats] (Zwitserland), eiseres,
en
het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 26 juni 1992 heeft gedaagde aan eiseres kennis gegeven
van zijn beslissing eiseres niet toe te laten tot de vrijwillige
verzekeringen ingevolge de Algemene Oudersdomswet (hierna: AOW) en de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (hierna: AWW), aangezien het verzoek
daartoe door eiseres niet is ingediend binnen de wettelijke
aanmeldingstermijn.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 9 maart
1993 het namens eiseres tegen die beslissing ingediende beroep ongegrond
verklaard.
Eiseres is van tegen die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
In het beroepschrift heeft zij de gronden waarop het hoger beroep
berust, uiteengezet.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 4
mei 1994, waar eiseres niet is verschenen. Gedaagde heeft zich bij die
gelegenheid doen vertegenwoordigen door J. Crompvoets, werkzaam bij de
Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader
gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op
het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het
procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat
betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten, als geregeld in
artikel 8:75 van de Awb.
Eiseres heeft in januari 1991 een verzoek ingediend om toegelaten te
worden tot de vrijwillige verzekeringen ingevolge de AOW en de AWW.
Gedaagde heeft bij de bestreden beslissing dit verzoek afgewezen,
aangezien dit niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, tweede lid,
van het Koninklijk besluit van 2 januari 1990, Stb. 38, is ingediend
binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering. Daarbij
heeft gedaagde overwogen dat de verplichte verzekering van eiseres is geëindigd
op 1 februari 1989, zijnde de datum waarop eiseres zich feitelijk vanuit
Nederland in Zwitserland heeft gevestigd teneinde aldaar te gaan
samenwonen met [betrokkene]. Per die datum is ook op aangeven van
eiseres zelf haar uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet beëindigd.
Eiseres is van oordeel dat zij ook nog geruime tijd na 1 januari 1989
als ingezetene van Nederland dient te worden beschouwd, aangezien er ook
toen sprake was van banden met Nederland.
De Raad overweegt als volgt.
Verzekerd ingevolge de AOW en de AWW zijn onder meer de ingezetenen van
Nederland. Ingezetene is degene die in Nederland woont, terwijl de vraag
waar iemand woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld. Volgens de
jurisprudentie van de Raad is er sprake van wonen in Nederland indien er
een band van duurzame aard bestaat tussen Nederland en de betrokkene.
Bij die beoordeling dienen alle omstandigheden (feitelijke/juridische/economische) in aanmerking te worden genomen.
Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde zich bij zijn beslissing
slechts heeft laten leiden door het sedert 1 februari 1989 feitelijk
niet meer verblijven van eiseres in Nederland. De Raad is van oordeel
dat gedaagde door niet de overige omstandigheden mede in zijn
oordeelsvorming te betrekken een - op zijn minst - onvolledige afweging
en deswege motivering aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd,
zodat deze vernietigd dient te worden, opdat gedaagde zich opnieuw zal
kunnen beraden omtrent het verzoek van eiseres.
De enkele omstandigheid dat eiseres Nederland feitelijk heeft verlaten,
is onvoldoende om reeds op die grond te concluderen dat eiseres niet
meer in Nederland woont. De Raad merkt in dit verband op dat eiseres -
anders dan bijvoorbeeld bij vluchtelingen het geval is - niet iedere
binding met het land van herkomst heeft opgegeven. Zo heeft eiseres
steeds haar huis in Nederland aangehouden - op welk adres zij in ieder
geval tot 15 oktober 1992 ingeschreven heeft gestaan - en zijn pas eind
1990/begin 1991 nieuwe bewoners op dat adres ingeschreven, die overigens
familieleden van eiseres zijn.
Tevens acht de Raad van belang dat eiseres heeft aangegeven dat zij -
toen zij in februari 1989 in Zwitserland ging samenwonen met
[betrokkene] - rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat "het
niet goed zou gaan", in welk geval zij naar Nederland zou zijn
teruggekeerd. De Raad acht een dergelijke overweging niet onaannemelijk
en merkt daarbij nog op dat eiseres (pas) op 25 oktober 1990 met
[betrokkene] in het huwelijk is getreden.
Gedaagde zal, deze omstandigheden mede in aanmerking nemend, een nieuwe
beslissing dienen te nemen inzake de beëindiging van de verplichte
verzekeringen, en daarmee van de aanvang van de aanvraagtermijn voor de
vrijwillige verzekeringen.
De Raad is niet gebleken dat aan de zijde van eiseres in hoger beroep
proceskosten zijn gevallen, welke voor vergoeding op grond van artikel
8:75 van de Awb in aanmerking zouden kunnen komen.
Mede gelet op artikel 80a, vijfde lid, van de Beroepswet, zoals die tot
1 januari 1994 luidde, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede de bestreden beslissing;
Verstaat dat gedaagde een nieuwe beslissing zal dienen te nemen inzake
het verzoek van eiseres om toegelaten te worden tot de vrijwillige
verzekeringen ingevolge de AOW en de AWW met inachtneming van hetgeen in
deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat gedaagde aan eiseres het gestorte griffierecht van f. 75,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. A.F.M.
Brenninkmeijer en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in
tegenwoordigheid van mr. H.J. van Dijk als griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 1994 door voornoemde voorzitter,
in tegenwoordigheid van mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef als griffier.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet kan ieder der
partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van
schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een
der artikelen 1, tweede en derde lid, 2, 3 en 6 van de AOW en 2, 3 en 7
van de AWW. Dit beroep wordt ingesteld door binnen twee maanden nadat dit afschrift
der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|