|
Uitspraak
01/5194
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is, op bij beroepschrift - annex bijlagen - aangevoerde gronden,
in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van rechtbank Amsterdam van
31 juli 2001, waarnaar hierbij zij verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 22 maart
2002 het verweer aangevuld.
Bij brief gedateerd 15 april 2002 zijn door appellant nadere gegevens
overgelegd.
Bij brief van 20 december 2002 heeft appellant een vraag van de Raad
beantwoord. Bij brief van 3 maart 2003 heeft appellant -naar aanleiding
van een vraag van de Raad- een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 september 2003,
waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen, terwijl
voor gedaagde is verschenen mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Alvorens te kunnen toekomen aan het geschil dat partijen verdeeld houdt,
zal de Raad eerst moeten nagaan of het hoger beroep ontvankelijk is.
In dat verband overweegt de Raad als volgt.
De in hoger beroep aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam,
gedateerd 31 juli 2001, is op dezelfde dag verzonden. Uit artikel 6:8
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:24
van de Awb volgt dan dat de beroepstermijn liep tot en met 11 september
2001. Blijkens het poststempel van het zich onder de gedingstukken
bevindende hoger beroepschrift is het beroepschrift op 11 september 2001
ter post bezorgd. Het hoger beroepschrift is evenwel eerst op 25
september 2001 bij de Raad ontvangen. Het voorgaande brengt - gezien
artikel 6:9 van de Awb - mee dat het beroepschrift niet tijdig is
ingediend. Immers, in het tweede lid van evengenoemd artikel is bepaald
dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig is ingediend,
indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het
niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.
Bij brief gedateerd 3 december 2002 heeft de Raad aan appellant verzocht
aan de Raad mee te delen om welke reden het beroepschrift niet-tijdig is
ingediend.
Appellant heeft daarop bij brief van 20 december 2002 geantwoord dat hij
het beroepschrift laat aan de Raad heeft toegezonden omdat hij heel ziek
is. Hij dient, soms voor een paar dagen, maar soms ook voor een aantal
weken, in het ziekenhuis te verblijven.
Daarop heeft de Raad aan appellant verzocht de gestelde reden van de
late inzending van het beroepschrift met een medische verklaring te
onderbouwen. Concreet is verzocht bij die verklaring te vermelden
gedurende welke exacte perioden appellant na 31 juli 2001 in het
ziekenhuis opgenomen is geweest.
Appellant heeft daarop bij brief gedateerd 3 maart 2003 aan de Raad
laten weten dat hij, onder andere, was gehospitaliseerd van 14 augustus
2001 tot en met 9 oktober 2001. Bijgevoegd is een verklaring van de
behandelend specialist. Uit de verklaring leidt de Raad af dat appellant
lijdt aan een bloedziekte die frequente transfusies noodzakelijk maakt.
Uit de verklaring blijkt niet of, en zo ja, gedurende welke perioden,
appellant gehospitaliseerd is geweest.
De Raad stelt vast dat het feit dat appellant - gesteldelijk -
gehospitaliseerd was, hem er niet van heeft weerhouden om op 11 september 2001 een beroepschrift in te dienen. De Raad moet verder
concluderen dat uit de door appellant overgelegde medische verklaring
niet blijkt dat appellant op medische gronden buiten staat is geweest om
zoveel eerder dan op 11 september 2001 - de laatste dag van de
beroepstermijn - desnoods in
summiere of voorlopige vorm, een hoger beroepschrift in te sturen dat
het hoger beroep (gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Awb) als
tijdig ingediend had moeten worden beschouwd.
De Raad acht ten slotte van belang dat uit de wetsgeschiedenis van
artikel 6:9 van de Awb blijkt dat in een geval als het onderhavige onder
omstandigheden wel sprake kan zijn van een verschoonbare
termijnoverschrijding, maar dat zulks niet aangenomen kan worden wanneer
de "gekozen wijze van verzending een niet te verwaarlozen risico in
zich draagt dat het geschrift langer dan een week onderweg is". De
door appellant gekozen wijze van verzending van het beroepschrift, via
de Marokkaanse officiële postdienst, draagt naar het oordeel van de
Raad een risico als hiervoor bedoeld in zich, nu via de officiële
postdienst vanuit of naar Marokko verzonden poststukken doorgaans in
ieder geval niet eerder dan enige dagen na verzending te bestemder
plekke arriveren, waarbij het niet ongebruikelijk is dat een poststuk
ten minste een week onderweg is. Hieruit volgt reeds dat deze wijze van
verzending een niet te verwaarlozen risico in zich draagt dat een
poststuk niet binnen een week na verzending te bestemder plekke
arriveert.
De Raad concludeert dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op
grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in
verzuim is.
Appellant dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in het
ingestelde hoger beroep.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J.
Simon en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.F. van Moorst als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10
oktober 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|