|
Uitspraak
01/3593
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. M.A.C. Vijn, thans advocaat te Utrecht, op
daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 mei 2001,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 oktober 2003, waar
appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens en mr. drs. M. van
Everdingen, beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren [in] 1935, is in 1975 gehuwd met [naam
ex-echtgenote], uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren, waaronder
op 19 augustus 1986 het kind Roel. Dit huwelijk is in 1997 door
echtscheiding ontbonden. In het kader van deze echtscheiding zijn
appellant en zijn ex-echtgenote overeengekomen dat zij gezamenlijk het
ouderlijk gezag over Roel zullen blijven uitoefenen. Met betrekking tot
het verblijf van Roel is het volgende afgesproken:
"Roel is om het weekeinde bij de man of de vrouw (het
weekeinde gaat in op zaterdagochtend en eindigt zondagavond na het eten)
Roel is de maandag en dinsdag bij de man.
Roel is op donderdag en vrijdag bij de vrouw.
Roel is op woensdag beurtelings bij de man of bij de vrouw, afhankelijk
van bij wie hij het voorafgaande weekeinde is geweest; was Roel het
weekeinde bij de man, dan is Roel de woensdag daarop bij de vrouw enz."
Tevens is overeengekomen dat appellant en zijn ex-echtgenote ieder
gerechtigd zijn tot de helft van de voor Roel te ontvangen
kinderbijslag. Deze afspraken zijn door de rechter bevestigd en worden
sindsdien door appellant en zijn ex-echtgenote nageleefd.
Appellant heeft in september 1999 een aanvraag om een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij gedaagde. Daarbij
heeft appellant aangegeven dat hij een kind dat jonger is dan 18 jaar
heeft, waarvoor hij kinderbijslag ontvangt. Ten aanzien van het
woonadres van dit kind heeft appellant verwezen naar het in kopie
overgelegde echtscheidingsconvenant.
Bij beslissing op bezwaar van 30 maart 2000, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde zijn besluit van 13 oktober 1999 gehandhaafd,
waarbij aan appellant het maximale ouderdomspensioen ingevolge de AOW
voor een ongehuwde of een gehuwde die duurzaam gescheiden leeft is
toegekend. Daarbij is overwogen dat appellant niet voldoet aan de
voorwaarden die gesteld zijn in de AOW om aanspraak te kunnen maken op
een eenouderpensioen, omdat appellant slechts gedeeltelijke
kinderbijslag ontvangt voor Roel en Roel ook tot het huishouden van een
ander behoort. Ter zitting van de rechtbank heeft gedaagde desgevraagd
erkend dat appellant voldoet aan de voorwaarde als omschreven in artikel
9, eerste lid, aanhef en onder c, van de AOW ten aanzien van het
ontvangen van kinderbijslag, nu in die bepaling geen onderscheid wordt
gemaakt tussen gehele of gedeeltelijke kinderbijslag.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat appellant geen aanspraak heeft op een eenouderpensioen
als bedoeld in laatstgenoemde bepaling, omdat Roel (ook) tot het
huishouden van een ander behoort. Daarbij heeft de rechtbank mede van
belang geacht dat uit de parlementaire geschiedenis niet is gebleken dat
de wetgever voor een situatie als hier aan de orde een andere bedoeling
heeft gehad dan uit de letterlijke tekst van voornoemd artikellid is op
te maken en dat de wetgever ook geen aanvullende regeling heeft
vastgesteld voor gevallen waarin sprake is van co-ouderschap, zoals wel
is gebeurd in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Namens appellant is in hoger beroep - kort samengevat- aangevoerd dat
gedaagde de tekst van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de
AOW, te beperkt uitlegt, omdat er uitzonderingssituaties denkbaar zijn
waarin een kind tot meerdere huishoudens behoort, zoals in dit geval.
Daarbij heeft appellant erop gewezen dat hij op grond van diverse andere
wettelijke en andere regelingen wel als eenoudergezin wordt
aangemerkt. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van een verboden
onderscheid op grond van levensovertuiging, welk onderscheid in strijd
zou zijn te achten met diverse bepalingen van internationaal recht.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is ook in hoger beroep slechts in geschil of appellant
ingaande 1 maart 2000 aanspraak heeft op een eenouderpensioen als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de AOW.
Ingevolge dit artikellid wordt aan de ongehuwde pensioengerechtigde die
een kind heeft jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, ongehuwd
kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie
hij op grond van de AKW kinderbijslag ontvangt of zal ontvangen een
bruto-ouderdomspensioen toegekend, welk pensioen ingevolge het vijfde
lid van dit artikel zodanig wordt vastgesteld dat het
netto-ouderdomspensioen per maand gelijk is aan 90% van het
nettominimumloon per maand.
De Raad stelt vast dat appellant een ongehuwde pensioengerechtigde is,
dat zijn zoon Roel ten tijde hier van belang jonger dan 18 jaar was en
dat hij toen kinderbijslag voor hem ontving, zodat afgezien van de
voorwaarde ten aanzien van het niet behoren tot het huishouden van een
ander aan alle voorwaarden voor aanspraak op eenouderpensioen is
voldaan. Met betrekking tot laatstgenoemde voorwaarde spitst het geschil
zich met name toe op de vraag of het feit dat Roel behoorde tot het
huishouden van appellant maar tevens - en in dezelfde mate - tot het
huishouden van de ex-echtgenote van appellant eraan in de weg staat dat
aan appellant een eenouderpensioen wordt toegekend.
De Raad stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 9, eerste
lid, aanhef en onder c, van de AOW blijkt dat beoogd is een regeling te
treffen ten aanzien van ongehuwde pensioengerechtigden met een kind te
hunnen laste van jonger dan 18 jaar. Daarbij is ervan uitgegaan dat de
pensioengerechtigde extra lasten heeft in verband met de verzorging en
opvoeding van kinderen hetgeen een verhoging van het pensioen
rechtvaardigt. Voorts blijkt uit de door de wetgever gekozen formulering
dat slechts ten aanzien van kinderen die als eigen, aangehuwd of
pleegkind behoren tot het huishouden van een ander niet een zodanige
verhoging wordt toegekend, kennelijk omdat aangenomen wordt dat de
lasten verbonden aan de opvoeding en verzorging van die kinderen worden
gedragen door het huishouden waar zij deel van uitmaken.
De Raad stelt vast dat in deze procedure sprake is van een kennelijk
niet door de wetgever voorziene situatie waarin de zoon van appellant
als eigen kind zowel tot het huishouden van appellant als tot dat van
diens ex-echtgenote behoort. Op grond van de door gedaagde aan artikel
9, eerste lid, aanhef en onder c, van de AOW gegeven uitleg voldoet
appellant niet aan de voorwaarden voor aanspraak op eenouderpensioen,
nu Roel als eigen kind (ook) behoort tot het huishouden van de
ex-echtgenote van appellant. Daarbij merkt de Raad op dat de
ex-echtgenote van appellant, als zij overigens in dezelfde
omstandigheden zou verkeren als appellant, op grond van die uitleg
evenmin aanspraak zou kunnen maken op een eenouderpensioen, omdat
Roel (ook) behoort tot het huishouden van appellant. De Raad is van
oordeel dat deze uitkomst niet is beoogd door de wetgever en dat
voornoemd artikellid derhalve, mede gelet op de hiervoor omschreven
bedoeling van de wetgever, aldus verstaan dient te worden dat aan de
voorwaarde "dat niet (...) behoort tot het huishouden van een
ander" in ieder geval is voldaan wanneer het kind behoort tot het
huishouden van degene die aanspraak maakt op eenouderpensioen.
De Raad onderkent dat deze uitleg van artikel 9, eerste lid, aanhef en
onder c, van de AOW - nu nadere regelgeving hieromtrent in de AOW, anders
dan in de AKW, ontbreekt - er in zeer bijzondere gevallen toe kan leiden
dat beide co-ouders aanspraak kunnen maken op een eenouderpensioen.
Zulks acht de Raad echter onvoldoende grond om tot een ander oordeel te
komen. Daargelaten nog dat een zodanige situatie zich niet vaak zal
voordoen, acht de Raad een dergelijke uitkomst echter niet
onaanvaardbaar, omdat in dit soort gevallen ten aanzien van diverse
aspecten met betrekking tot de verzorging en huisvesting van de kinderen
sprake is van dubbele kosten voor de co-ouders. Voorts acht de Raad de
door gedaagde voorgestane uitkomst, ertoe leidend dat beide co-ouders
niet in aanmerking kunnen komen voor een eenouderpensioen, in ieder
geval in strijd met doel en strekking van de regeling.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.
Gedaagde zal met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene een
nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen.
Namens appellant is voorts verzocht om vergoeding van schade op grond
van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) welke schade
begroot wordt op de wettelijke rente over het niet tijdig verstrekte
pensioen. Ingevolge īs Raads jurisprudentie dient dit verzoek
toegewezen te worden. Voor wat betreft de wijze waarop gedaagde de aan
appellant toekomende vergoeding van schade dient te berekenen volstaat
de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995,
gepubliceerd in JB 1995/314.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en 322,- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt de Sociale verzekeringsbank tot betaling van renteschade als
hiervoor overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en hoger
beroep ad 966,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant in eerste
aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van 104,37 (voorheen
f 230,-) aan hem vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 november
2003.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|