|
Uitspraak
01/2862
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is, op bij beroepschrift - met bijlagen - aangevoerde gronden,
in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
3 april 2001, waarnaar hierbij zij verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 september 2002 heeft gedaagde een nader stuk ingediend.
Bij brief - met bijlage - van 25 september 2003 heeft appellant de gronden
van het beroep aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 oktober 2003, waar
appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde niemand is
verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant, die is geboren op 21 mei 1932, woont sedert 1959 in België.
Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Met ingang van mei 1997 is aan
appellant een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW)
toegekend, aanvankelijk ter hoogte van 42% van het volledige pensioen
van een gehuwde. Aan appellant is per genoemde datum, omdat appellants
echtgenote nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt, tevens een
toeslag op zijn pensioen toegekend.
Bij besluit van 21 juli 1998 heeft gedaagde deze toeslag per 1 september
1998 ingetrokken. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd
dat het recht op toeslag alleen bestaat indien de (huwelijks)partner van
de pensioengerechtigde jonger is dan 65 jaar, terwijl appellants
echtgenote op 6 september 1998 65 jaar wordt.
In bezwaar is door appellant aangevoerd dat de regeling in de AOW,
waarbij, bij het bereiken van het 65e levensjaar door de jongere
(huwelijks)partner, deze automatisch een eigen recht op uitkering
ingevolge de AOW verwerft, terwijl de toeslag van de oudere
(huwelijks)partner wordt ingetrokken, leidt tot (indirecte)
discriminatie van migrerende gehuwde personen, indien, zoals in zijn
geval, het eigen pensioenrecht van de jongere partner van het (gezins)pensioen
in een andere EG-lidstaat, in casu België, wordt afgetrokken, terwijl
dat bij het behoud van de toeslag door de oudere (huwelijks)partner niet
het geval zou zijn. Volgens appellant gaat hij er door de toekenning van
een eigen recht op AOW-pensioen aan zijn echtgenote per saldo altijd op
achteruit. Appellant acht daarom de AOW in strijd met artikel 48 van het
EG-Verdrag en met Verordening (EEG) 1408/71. Verzocht wordt om
uitbetaling van de toeslag op de AOW, zo lang de echtgenote van
appellant geen eigen AOW-pensioen heeft aangevraagd en verkregen of er
afstand van heeft gedaan.
Bij besluit van 18 november 1998 (het bestreden besluit) heeft gedaagde
het bezwaar ongegrond verklaard. Aangegeven wordt dat de wijziging van
de AOW in 1985, waarbij het huidige stelsel is ingevoerd, beoogde
uitvoering te geven aan het in EEG-Richtlijn 79/7 neergelegde beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid.
De bepalingen van de AOW worden ten aanzien van eenieder gelijkelijk
toegepast. Op zichzelf vormen deze bepalingen dan ook geen belemmering
voor het vrije verkeer van werknemers en hun gezinsleden binnen de
Europese Unie. De negatieve gevolgen voor het gezinsinkomen, namelijk de
vermindering van het Belgisch pensioen, omdat de Belgische wetgeving het
individuele pensioen van de jongere (huwelijks)partner in mindering
brengt op het Belgische gezinspensioen, vloeien niet voort uit de AOW,
maar uit de gevolgen die de Belgische wetgeving verbindt aan de
individualisering van de AOW per 1 april 1985. Verwezen wordt naar het
arrest van het Hof van Justitie van de EG in de zaak Munster (HvJ EG 5
oktober 1994, zaak C-165/91, gepubliceerd in RSV 1995/192), waarin,
volgens gedaagde, zijn zienswijze impliciet bevestiging vindt.
In beroep is door appellant aangevoerd dat het bestreden besluit in
strijd is met de artikelen 5 en 48 tot en met 51 van het EG-Verdrag.
Subsidiair wordt verzocht om het stellen van prejudiciële vragen aan
het HvJ EG.
Bij brief van 7 december 2000 heeft appellants gemachtigde het arrest
van het HvJ EG van 24 september 2000, in zaak C-262/97 (Engelbrecht) in
het geding gebracht. In dit arrest heeft het Hof overwogen dat "de
uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap kan
worden belemmerd, indien een sociaal voordeel dat een werknemer geniet,
teloorgaat of wordt verminderd enkel en alleen doordat rekening wordt
gehouden met de krachtens de wetgeving van een andere lidstaat aan zijn
echtgenoot toegekende soortgelijke uitkering, hoewel de toekenning van
laatstbedoelde uitkering enerzijds niet tot een verhoging van het
gezinsinkomen heeft geleid en anderzijds gepaard ging met een verlaging
met hetzelfde bedrag van het eigen pensioen dat de werknemer krachtens
de wetgeving van diezelfde lidstaat ontvangt. Dat gevolg kan de
communautaire werknemer er immers van weerhouden zijn recht van vrij
verkeer uit te oefenen, en aldus een belemmering van die in artikel 48
van het Verdrag neergelegde vrijheid opleveren."
Bij brief gedateerd 8 februari 2001 heeft appellant de gronden van het
beroep aangevuld. Verzocht wordt onder meer om vergoeding van
renteschade.
De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep
ongegrond verklaard. De rechtbank is met appellant van oordeel dat de
situatie waarin hij zich bevindt op gespannen voet lijkt te staan met
het in het communautaire recht verankerde beginsel van het vrij verkeer
van werknemers. De rechtbank is evenwel met gedaagde van oordeel dat een
oplossing voor de door eiser geschetste problematiek niet dient te
worden gezocht aan Nederlandse zijde, maar aan Belgische zijde. De
rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door het arrest van het Hof
van Justitie in de zaak Engelbrecht, waarin het ging om dezelfde
Nederlands-Belgische pensioenproblematiek. De rechtbank ziet in dit
arrest een duidelijke aanwijzing dat het onderhavige probleem aan
Belgische zijde dient te worden opgelost. Dat men, zoals appellant heeft
aangegeven, in België nog geen oplossing heeft gevonden, doet aan het
voorgaande niet af. Anders dan appellant ziet de rechtbank geen basis
voor het continueren van de toeslag tot men in België een oplossing
heeft gevonden.
In hoger beroep is door gedaagde onder meer betoogd dat een, eventuele,
strijdigheid van het Belgische recht in dezen met het EG-recht, niet kan
afdoen aan de verplichting van de Nederlandse autoriteiten om het
Nederlandse recht in overeenstemming te brengen met het
gemeenschapsrecht. De lidstaten zijn immers nog steeds vrij in de
inrichting van hun stelsels van sociale zekerheid, met name wat betreft
de voorwaarden waaronder het recht op uitkeringen bestaat, mits zij bij
de uitoefening van deze bevoegdheid het gemeenschapsrecht eerbiedigen.
Voor het overige herhaalt appellant in essentie zijn in eerdere fasen
van het geschil voorgedragen grieven en vorderingen.
Door gedaagde is opgemerkt dat artikel 8 van de AOW geen ruimte biedt om
appellant recht op toeslag ten behoeve van zijn jongere echtgenote te
doen behouden nadat zijn echtgenote de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt. Evenmin valt een bepaling van gemeenschapsrecht aan te wijzen
die tot een contra legem interpretatie van dat artikel dwingt. De
gewraakte bepaling is op zich zelf niet discriminatoir en vormt evenmin
een belemmering voor het vrije verkeer van werknemers, omdat zij zonder
onderscheid van toepassing is op Nederlandse onderdanen en onderdanen
van andere Lid-Staten. Veeleer is er, aldus gedaagde, sprake van een
dispariteit, die verband houdt met het feit dat de sociale
zekerheidsstelsels van de Lid-Staten niet geharmoniseerd zijn. Een
belemmering voor het vrij verkeer voor werknemers wordt alleen
opgeworpen door de wijze waarop de Belgische wetgeving het aan de
echtgenote van appellant toegekende Nederlandse ouderdomspensioen
kwalificeert voor de vaststelling van het recht van appellant op
Belgisch ouderdomspensioen. Door die kwalificatie wordt, zonder dat er
in Nederland een verhoging plaatsvindt, appellants Belgische
gezinspensioen omgezet in een (lager) alleenstaandenpensioen.
Duidelijk is, aldus gedaagde, dat er door het ontbreken van harmonisatie
van wetgeving, in de grensoverschrijdende situatie van appellant sprake
is van een nadelig effect. Volgens gedaagde is het echter, gezien de
uitspraken van het HvJ EG in de zaken Van Munster en Engelbrecht, aan de
'kwalificerende Lid-Staat', in dit geval België, om het nadelig effect
van zijn wetgeving in grensoverschrijdende situaties zoveel mogelijk te
voorkomen.
Ten slotte wordt opgemerkt dat de vordering van appellant op gespannen
voet staat met de implementatie van de gelijke behandeling van mannen en
vrouwen in de AOW, die zich niet verdraagt met toekenning van een
toeslag ten behoeve van een uit eigen hoofde rechthebbende op een
ouderdomspensioen.
Uit de aanvulling op het beroepschrift van appellant van 16 mei 2001
blijkt dat appellants verzoek om herziening van zijn Belgisch pensioen
door het bevoegde orgaan is afgewezen, op de grond dat "de som van
de Nederlandse uitkeringen van u en uw echtgenote groter is dan de
Nederlandse ouderdomsuitkering met toeslag die u genoot vóór de 65e
verjaardag van uw jongere echtgenote". Het verzoek om vergoeding
van schade wordt gespecificeerd in die zin dat vergoeding van € 1000,-
aan proceskosten wordt verzocht.
Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of
de rechtbank met recht appellants beroep tegen het bestreden besluit
ongegrond heeft verklaard.
Dienaangaande oordeelt de Raad als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat de AOW en de daarop berustende
regelgeving geen grondslag bieden voor toewijzing van de vordering van
appellant. Het geding spitst zich toe op de beantwoording van de vraag
of de intrekking van appellants toeslag, in verband met het bereiken van
de 65-jarige leeftijd van zijn huwelijkspartner en de toekenning aan
haar van een eigen AOW-pensioen, in strijd is met het gemeenschapsrecht,
waarbij appellant met name heeft gewezen op de bepalingen inzake het
vrije verkeer.
Met de rechtbank en op de door de rechtbank aangevoerde gronden is de
Raad van oordeel dat, in zoverre van de situatie waarin appellant zich
bevindt gezegd kan worden dat deze op gespannen voet staat met het in
het communautaire recht verankerde beginsel van het vrij verkeer, het
primair aan de Belgische autoriteiten is om deze belemmering uit de weg
te ruimen. De Raad wijst op de hiervoor genoemde arresten van het HvJ EG
in de zaken Van Munster en Engelbrecht, waaruit, naar het oordeel van de
Raad, moet worden afgeleid dat in de onderhavige situatie het primair
aan België, als de kwalificerende Lid-Staat, is om haar wetgeving in
overeenstemming te brengen met het gemeenschapsrecht.
Voorzover zou moeten worden geoordeeld dat, in de onderhavige situatie,
(ook) de regeling van de AOW een belemmering oplevert van het vrije
verkeer binnen de Gemeenschap, gezien in samenhang met artikel 5 van het
EG-Verdrag, vindt, naar het oordeel van de Raad, die belemmering haar
rechtvaardiging in de doelstelling van die regeling, namelijk de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de toekenning van
(publiekrechtelijke) pensioenrechten. De Raad wijst in dat verband op de
rechtspraak van het HvJ EG, zie onder meer HvJ EG 12 juni 2003,
gepubliceerd in EHRC, 2003/64, dat binnen de Gemeenschap geen
maatregelen toelaatbaar zijn die zich niet verdragen met de eerbiediging
van de erkende rechten van de mens. De bescherming van deze rechten is
een legitiem belang dat de beperking van uit het gemeenschapsrecht
voortvloeiende verplichtingen kan rechtvaardigen, ook indien het gaat om
een fundamentele verdragsvrijheid als het vrije verkeer van personen.
In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de (gestelde)
beperkingen op het intracommunautaire verkeer onevenredig zijn aan de
nagestreefde legitieme doelstelling, in casu de eerbiediging van het
fundamentele beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de toekenning van pensioenrechten
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. J.G.
Treffers en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 december
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|