|
Uitspraak
01/2829
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante is mr. W.G. Poiesz, op bij (aanvullend) beroepschrift
aangevoerde gronden, in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 3 mei 2001, waarnaar hierbij zij verwezen.
Bij brief gedateerd 24 augustus 2001 heeft gedaagde enige nadere stukken
in het geding gebracht.
Gedaagde heeft een verweerschrift - voorzien van bijlagen - ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 24 oktober 2003, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan appellante is met ingang van 1 oktober 1996 een uitkering ingevolge
de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, naar de norm van een
ongehuwde. Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft gedaagde, na te hebben
vastgesteld dat appellante sedert 1 november 1995 een gezamenlijke
huishouding voert, zodat zij voor de AOW niet langer als ongehuwd wordt
aangemerkt, appellantes recht op een AOW-uitkering met ingang van 1
oktober 1996 herzien en vastgesteld op het maximale AOW-pensioen voor
een gehuwde of ongehuwde die samenwoont. Tevens is aangegeven dat het
ten onrechte betaalde bedrag van f. 11.840,51 wordt teruggevorderd. Dit
besluit is bij beslissing op bezwaar gehandhaafd. Het beroep tegen die
beslissing is ongegrond verklaard.
Bij besluit van 12 juli 2000 heeft gedaagde aan appellante met ingang
van 1 april 2000 het maximale AOW-pensioen voor een ongehuwde toegekend.
Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante niet langer
samenwoont, zodat zij voor de AOW niet langer als gehuwd wordt
aangemerkt.
Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde een beslissing genomen ter
zake van de invordering van het ten onrechte betaalde bedrag van f.
11.840,51. Aangegeven wordt dat met ingang van juli 2000 een bedrag van
f. 400,- per maand op het AOW-pensioen in mindering wordt gebracht. Ook
andere bedragen, zoals de vakantie-uitkering, zullen voor de verrekening
van gedaagdes vordering worden aangewend. Uit de begeleidende brief
blijkt dat de over de maanden april 2000 tot en met juni 2000 aan
appellante te weinig betaalde uitkering ad f. 1.456,98, zal worden
verrekend met gedaagdes vordering.
In bezwaar is namens appellante betoogd dat de beslagvrije voet onjuist
is vastgesteld. Daarnaast verzet appellante zich tegen de verrekening
van het nabetaalde bedrag.
Desgevraagd zijn namens appellante gegevens omtrent haar inkomenspositie
overgelegd. Uit die gegevens blijkt onder meer dat appellante verplicht
verzekerd is voor de Ziekenfondswet en dat zij daarnaast een aanvullende
verzekering heeft afgesloten. De premie van de aanvullende verzekering
bedraagt f. 14,65 per maand. Op die grondslag heeft gedaagde appellantes
aflossingscapaciteit berekend op f. 291,40 per maand.
Bij besluit van 28 september 2000 heeft gedaagde het bezwaar
gedeeltelijk gegrond verklaard. Aangegeven wordt dat met ingang van de
maand juli 2000 een bedrag van f. 291,40 wordt ingehouden op appellantes
AOW-uitkering. Het bezwaar wordt in zoverre gegrond verklaard.
Appellantes bezwaar tegen de verrekening van de nabetaling over de
maanden april 2000 tot en met juni 2000, ten bedrage van f. 1.456,98,
wordt ongegrond verklaard. Aangegeven wordt dat de regels omtrent
toepassing van de beslagvrije voet slechts van toepassing zijn op
periodieke betalingen.
In beroep tegen het besluit van 28 september 2000 is door appellante
aangevoerd dat door gedaagde ten onrechte de door gedaagde ingehouden
ziekenfondspremie bij de berekening van de beslagvrije voet buiten
beschouwing is gelaten. Met betrekking tot de verrekening van de
nabetaling is door appellante naar voren gebracht dat op 30 maart 2000
is komen vast te staan dat er niet langer sprake kon zijn van
samenwoning. Ter zake is een tweetal uittreksels uit de
bevolkingsregisters van de gemeenten Waddinxveen en Den Helder
overgelegd. Vanaf 1 april 2000 heeft appellante recht op een
AOW-uitkering berekend naar de alleenstaande norm. Dit is een periodieke
uitkering waarop de beslagvrije voet moet worden toegepast. Dat een en
ander pas op een later tijdstip door gedaagde administratief wordt
verwerkt dan wel gecorrigeerd mag geen reden zijn om de nabetaling niet
als een periodieke betaling te beschouwen.
In verweer is door gedaagde betoogd dat bij de vaststelling van de
bijstandsnormen al rekening is gehouden met de door de
ziekenfondsverzekerde verschuldigde premie en dat het daarvoor
verschuldigde bedrag daarom niet extra in mindering kan worden gebracht.
Verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 475d, vijfde lid, aanhef en
onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waaruit volgt
dat de beslagvrije voet wordt verhoogd met de premie van een door de
schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, telkens wanneer deze
premie vervalt, terwijl het beslag ligt. De op de AOW-uitkering
ingehouden premie voor de verplichte ziektekostenverzekering kan daartoe
niet worden gerekend, aldus gedaagde.
Bij de in rubriek I genoemde uitspraak heeft de rechtbank het beroep
ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft gedaagde, rekening
houdend met de door appellante verstrekte gegevens, de beslagvrije voet
correct berekend. De rechtbank heeft geen beslissing gegeven met
betrekking tot appellantes grief inzake de verrekening van de
nabetaling.
In hoger beroep is namens appellante primair betoogd dat de rechtbank
heeft nagelaten te beslissen op haar grief inzake de verrekening van de
nabetaling. Verder is namens appellante herhaald dat gedaagde, bij de
berekening van de beslagvrije voet, ten onrechte geen rekening heeft
gehouden met de door gedaagde ingehouden (verplichte) ziekenfondspremie.
Door gedaagde is in verweer onder meer betoogd dat appellante, wat
betreft de verrekening van de nabetaling over de maanden april tot en
met juni 2000, eraan voorbijziet dat de nabetaling dient te worden
gekwalificeerd als een verhoging achteraf van reeds verrichte periodieke
betalingen over diezelfde maanden, waarop dientengevolge de beslagvrije
voet reeds is toegepast, wat inhoudt dat het meerdere volledig voor
verrekening in aanmerking komt. Het bepaalde in artikel 475b, derde lid,
van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, welke bepaling inhoudt,
dat beslag op nabetalingen niet verder geldig is dan indien de betaling
gedurende het beslag tijdig was geschied, hetwelk impliceert, dat de
nabetaling uiteenvalt in een optelsom van periodieke betalingen over de
aangegeven periode, biedt derhalve te dezen niet het door appellante
beoogde soelaas.
Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of
de uitspraak van de rechtbank, waarbij het bestreden besluit van 28
september 2000 in stand is gelaten, in rechte stand kan houden.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad zal eerst ingaan op de vraag of gedaagde, bij de berekening van
de aflossingscapaciteit van appellante, met recht de premie voor de
verplichte ziektekostenverzekering buiten beschouwing heeft gelaten. In
dat verband is van belang dat in artikel 1, onder g, van het Besluit
invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW
is bepaald dat onder "aflossingscapaciteit" wordt verstaan:
het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden aangewend voor
betaling of verrekening van de vordering.'
Met betrekking tot de berekening door gedaagde van appellantes
beslagvrije voet, en meer in het bijzonder de vraag of de door gedaagde
ingehouden premies (verplichte) ziektekostenverzekering daarbij in
aanmerking moeten worden genomen, is, naar het oordeel van de Raad, van
belang 475d, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, dat bepaalt:
"De beslagvrije voet wordt verhoogd met:
a. de premie van een door de schuldenaar gesloten
ziektekostenverzekering, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het
beslag ligt; (...)."
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat uit deze bepaling moet
worden afgeleid dat, bij de bepaling van de beslagvrije voet, de premie
voor de verplichte ziektekostenverzekering geen rol speelt. Anders dan
bij de vrijwillige, aanvullende ziektekostenverzekering, kan immers bij
de verplichte ziektekostenverzekering niet worden gesproken van een
gesloten ziektekostenverzekering. De Raad heeft bij zijn oordeelsvorming
mede in ogenschouw genomen dat de algemene bijstand wordt verhoogd met
de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.
Met betrekking tot de verrekening van de nabetaling stelt de Raad voorop
dat appellante, gelet op hetgeen zij in beroep naar voren heeft
gebracht, zich met recht erover beklaagt dat de rechtbank ter zake geen
beslissing heeft gegeven. Naar het oordeel van de Raad heeft de
rechtbank hiermee gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 8:69
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daaruit volgt naar het oordeel
van de Raad dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre niet in stand
kan blijven. De Raad zal zelf beoordelen of het bestreden besluit in
zoverre in rechte stand kan houden.
Uit artikel 475c, aanhef, en onder c, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, blijkt dat een beslagvrije voet is verbonden, onder
meer, aan vorderingen tot periodieke betaling van uitkeringen op grond
van sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag. Bij het
bestreden besluit heeft gedaagde appellantes bezwaar tegen de
verrekening van de nabetaling van haar AOW-pensioen over de maanden
april tot en met juni 2000, verworpen met als motivering dat de regels
omtrent toepassing van de beslagvrije voet slechts van toepassing zijn
op periodieke betalingen. In hoger beroep heeft gedaagde zijn
stellingname in zoverre genuanceerd dat de nabetaling dient te worden
gekwalificeerd als een verhoging achteraf van reeds verrichte periodieke
betalingen over diezelfde maanden, waarop dientengevolge de beslagvrije
voet reeds is toegepast, wat inhoudt dat het meerdere volledig voor
verrekening in aanmerking komt.
Naar het oordeel van de Raad dient de nabetaling van appellantes
AOW-pensioen te worden aangemerkt als een periodieke uitkering als
bedoeld in voornoemd artikel 475c, aanhef en onder c, van het Wetboek
van Burgerlijke rechtsvordering. In casu gaat het om een periodieke
uitkering met betrekking tot de maanden april 2000 tot en met juni 2000,
derhalve maanden waarop de verrekening, en een bij die verrekening in
acht te nemen beslagvrije voet, geen betrekking hebben. De Raad komt tot
het oordeel dat de door gedaagde aan zijn besluit tot verrekening van
het bedrag van f. 1.456,98 ten grondslag gelegde motivering dit besluit
niet kan dragen, zodat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit in zoverre rechtens geen
stand kan houden. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te
nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 966,- voor verleende rechtsbijstand. Andere op grond van dat
artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad
ook niet gebleken.
Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op
de verrekening van de nabetaling met gedaagdes vordering uit
onverschuldigde betaling;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond met betrekking
tot de verrekening van de nabetaling en vernietigt dat besluit in
zoverre;
Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nader besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Bevestigt de uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot en bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 322,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het gestorte
recht van € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. J.G.
Treffers en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 december
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|