|
Uitspraak
01/1829
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Zwitserland), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. M.J. Hillen, advocaat te Amsterdam, op
daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2000,
nummer AWB 00/3352 AOW A AZ, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is vervolgens nog een aanvullend beroepschrift
ingediend. Op verzoek van de Raad heeft gedaagde bij brief van 9 juli
2002 gereageerd op het aanvullend beroepschrift. Ten slotte heeft
gedaagde bij brief van 27 augustus 2002 een nader besluit van die datum
overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 oktober 2003, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hillen,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
K.C.M. van Engelenhoven, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is geboren [in] 1929 en bezit de Nederlandse nationaliteit.
Gedaagde heeft bij besluit van 25 april 1995 met ingang van 1 juni 1994
een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan
appellant toegekend ter hoogte van 92% van het pensioen voor een
gehuwde. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat appellant niet
verzekerd is geweest ingevolge de AOW van 8 juli 1989 tot 27 juni 1994,
omdat hij toen in Frankrijk woonde. Voorts is hierbij overwogen dat
appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor
de zogenaamde (nationale) overgangsvoordelen op grond van de AOW,
omdat hij niet in Nederland woonde, maar dat het tijdvak van 27 juni
1944 tot 1 januari 1957 wel als verzekerd tijdvak in aanmerking genomen
kan worden op grond van Bijlage VI bij EG-Verordening 1408/71 (hierna:
de Verordening).
In december 1999 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat hij met
ingang van 5 januari 2000 zou verhuizen van Frankrijk naar Zwitserland.
Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 12 januari 2000 het aan
appellant toegekende ouderdomspensioen ingevolge de AOW met ingang van 1
februari 2000 herzien en nader vastgesteld op 66% van het pensioen voor
een gehuwde. Daarbij is overwogen dat het tijdvak van 27 juni 1944 tot 1
januari 1957 niet meer als verzekerd tijdvak in aanmerking genomen kan
worden op grond van Bijlage VI bij de Verordening, omdat appellant niet
langer woonachtig is op het grondgebied van de Europese Gemeenschap en
dit tijdvak op grond van de Overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen
het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat (Trb. 1970,
200, hierna: de Overeenkomst) niet als verzekerd krachtens de AOW in
aanmerking kan worden genomen.
Bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2000 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van
12 januari 2000 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe overwogen
dat de tijdvakken toegekend op grond van Bijlage VI bij de Verordening
vervallen wanneer de betrokkene zich vestigt buiten het grondgebied van
de Europese Unie (EU). Ten aanzien van artikel 4 van de Overeenkomst
heeft gedaagde opgemerkt dat deze bepaling slechts betrekking heeft op
uitkeringen welke met toepassing van de nationale wetgeving zijn
toegekend, aan welke voorwaarde in dit geval niet is voldaan. Ten slotte
heeft gedaagde overwogen dat geen sprake is van een schending van het
vertrouwensbeginsel.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven. Daarbij
heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad,
overwogen dat de Overeenkomst geen bepalingen bevat op grond waarvan
appellant aanspraak kan maken op overgangsvoordelen indien hij niet
voldoet aan de voorwaarden als vermeld in de artikelen 55 en 56 van de
AOW. Voorts heeft de rechtbank de stelling van appellant verworpen dat
Bijlage VI bij de Verordening gerekend moet worden tot de wettelijke
regelingen in Nederland inzake ouderdomsverzekering als bedoeld in
artikel 4 van de Overeenkomst, nu in Bijlage VI uitdrukkelijk is bepaald
dat slechts aanspraak bestaat op de overgangsvoordelen ingevolge deze
regeling zolang men woonachtig is in één van de lidstaten van de
Europese Unie. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van appellant op
leeftijdsdiscriminatie en op een verboden onderscheid naar woonplaats
verworpen, omdat beide vormen van onderscheid berusten op redelijke en
objectieve gronden.
In hoger beroep is namens appellant - kort samengevat - aangevoerd dat de
rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant op grond van het
nationale recht geen aanspraak kan maken op de overgangsvoordelen.
Appellant meent voorts dat de Verordening en het EG-Verdrag behoren tot
het nationale recht althans daarin behoren te zijn opgenomen, zodat
appellant met toepassing van de Verordening voldoet aan de nationale
overgangsvoordelen. Hieruit vloeit naar de mening van appellant ook
voort dat hij op grond van artikel 4 van de Overeenkomst er recht op
heeft zijn uitkering zonder beperkingen in Zwitserland te genieten. De
door gedaagde gegeven interpretatie aan de bepalingen in Bijlage VI van
de Verordening zijn volgens appellant in strijd met het EG-Verdrag en
met name met de doelstelling van het vrije personenverkeer. Verder is
aangevoerd dat de rechtbank zonder enige motivering voorbij gegaan is
aan het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en dat er geen redelijke
en objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat voor het gemaakte
onderscheid naar leeftijd. Bij aanvullend beroepschrift is namens
appellant voorts nog een beroep gedaan op diverse bepalingen van Verdrag
48 van de Internationale Arbeidsorganisatie (Stb. 1939, nr. 17, hierna
IAO-Verdrag 48). Aangevoerd is dat het bestreden besluit in strijd met
de artikelen 3, 10 en 19 van dit IAO-Verdrag-48 is genomen. Voorts is
nog een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag inzake
sociale zekerheid (Trb. 1976, 54, hierna: EVSZ) en op artikel 15, tweede
lid, van het aanvullend akkoord bij het EVSZ (Trb. 1976, 158).
Gedaagde heeft deze stellingen van appellant gemotiveerd betwist. Bij
brief van 27 augustus 2002 heeft gedaagde een nader besluit van die
datum overgelegd, waarin met ingang van 1 juni 2002 aan appellant
wederom een ouderdomspensioen voor een gehuwde wordt toegekend ter
hoogte van 92% van het volledige pensioen. Dit besluit is gebaseerd op
de op 1 juni 2002 in werking getreden Overeenkomst tussen de Europese
Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Zwitserse Bondstaat
anderzijds van 21 juni 1999 (Trb. 2000, nr. 16).
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat gedaagde reeds bij het besluit van 25 april
1995 heeft beslist dat appellant van 8 juli 1989 tot 27 juni 1994 niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW, omdat hij toen
in Frankrijk woonde. Appellant heeft destijds berust in dat besluit,
zodat rechtens is komen vast te staan dat appellant toen niet verzekerd
was. Nu het bestreden besluit geen betrekking heeft op een verzoek om
ten voordele van appellant terug te komen van zijn genoemde besluit ten
aanzien van bedoeld tijdvak en gedaagde in het bestreden besluit geen
ander oordeel heeft gegeven omtrent dit tijdvak, moet de Raad
vaststellen dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op de vraag
of appellant gedurende het tijdvak van 8 juli 1989 tot 27 juni 1994
verzekerd was. De Raad komt derhalve niet toe aan de bespreking van de
namens appellant aangevoerde stellingen, met betrekking tot de eventuele
verzekering van appellant ingevolge de AOW gedurende dat tijdvak.
Uit het vorenstaande vloeit reeds voort dat in deze procedure naar het
oordeel van de Raad slechts de vraag aan de orde is of gedaagde terecht
heeft besloten dat na de verhuizing van appellant naar Zwitserland het
tijdvak van 27 juni 1944 tot 1 januari 1957 niet meer bij de vaststelling van de hoogte van het
ouderdomspensioen van appellant kan worden betrokken. Dienaangaande
wordt het volgende overwogen.
De Raad merkt ten aanzien van dit tijdvak allereerst op dat gedaagde in
het besluit van 25 april 1995 heeft overwogen dat appellant niet voldeed
aan de voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor de nationale
overgangsvoordelen, als bedoeld in de artikelen 55 en 56 van de AOW,
maar dat dit tijdvak wel op grond van Bijlage VI bij de Verordening als
een verzekerd tijdvak in aanmerking genomen kan worden. Ingevolge
Bijlage VI, sub J, punt 2, onder a en e, wordt ten aanzien van personen
die niet voldoen aan de nationale overgangsvoordelen voor tijdvakken
gelegen vanaf hun 15e verjaardag en vóór 1 januari 1957, waarin zij in
Nederland woonden of in Nederland werkten terwijl zij in een andere
lidstaat van de EU woonden, geen korting op het pensioen toegepast,
voorzover zij na het bereiken van de leeftijd van 59 jaar gedurende zes
jaren op het grondgebied van een of meer lidstaten hebben gewoond en
zolang zij op het grondgebied van één van die lidstaten wonen. Nu
appellant vanaf 5 januari 2000 niet meer woonde op het grondgebied van
een lidstaat van de EU, heeft gedaagde naar ´s Raads oordeel terecht
besloten dat appellant niet langer voldeed aan de voorwaarden in Bijlage
VI op grond waarvan geen korting werd toegepast op het pensioen voor het
tijdvak van 27 juni 1944 tot 1 januari 1957.
Hetgeen namens appellant is aangevoerd met betrekking tot de Verordening
en het EG-Verdrag heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen
brengen. Ook indien het woord "zolang" in Bijlage VI, sub J,
punt 2, onder e, gelezen zou moeten worden als "indien", zoals
volgens appellant de Franse tekst van deze bepaling luidt, dan kan zulks
niet tot de conclusie leiden dat appellant na zijn verhuizing naar
Zwitserland blijft voldoen aan deze bepaling. Naar het oordeel van de
Raad beoogt deze bepaling namelijk slechts bepaalde voordelen toe te
kennen aan onderdanen van lidstaten van de EU zolang zij binnen de EU
wonen. De kennelijk door appellant voorgestane uitleg van deze bepaling
zou er voorts toe leiden dat de voorwaarde van wonen binnen de EU
overbodig zou zijn naast de in deze bepaling ook opgenomen 6-jaren
wooneis. Hierbij acht de Raad ten slotte mede van belang dat ook de in
de nationale overgangsvoordelen opgenomen actuele wooneis een voorwaarde
is waaraan voldaan moet worden zolang recht bestaat op pensioen.
Verder is de Raad van oordeel dat gedaagdes uitleg van Bijlage VI, sub
J, punt 2, onder e, niet in strijd is met de door appellant genoemde
bepalingen in de Verordening. Daarbij wijst de Raad erop dat het Hof van
Justitie EG in het arrest Winter-Lutzins van 2 mei 1990 (zaak 293/88,
RSV 90/310) heeft overwogen dat de bepalingen van Bijlage VI bij de
Verordening speciaal zijn opgesteld met het oog op het bepaalde in de
AOW en ter aanvulling daarvan en dat de bijzonderheden inzake de
invoering van het uit artikel 10 van de Verordening voortvloeiende
beginsel betreffende de opheffing van bepalingen inzake woonplaats, bij
de toepassing van de AOW is geregeld in Bijlage VI. Daarbij heeft het
Hof van Justitie overwogen dat de werking van de bepalingen inzake
woonplaats ten aanzien van de overgangsvoordelen van de AOW gewettigd
wordt door de bepalingen van Bijlage VI, die in zoverre de werkingssfeer
van artikel 10 van de Verordening beperken. Uit deze overwegingen volgt
naar het oordeel van de Raad reeds dat de regeling in Bijlage VI niet in
strijd kan worden geacht met artikel 10 van de Verordening.
Ten aanzien van het beroep op artikel 10bis van de Verordening merkt de
Raad op dat dit artikel slechts betrekking heeft op non-contributieve
prestaties, als vermeld in Bijlage II bij de Verordening, in welke
bijlage de AOW niet is vermeld. Verder wijst de Raad erop dat artikel
45, vijfde lid, van de Verordening betrekking heeft op risicostelsels,
waartoe de AOW niet behoort. Voorts heeft artikel 28 van de Verordening
betrekking op prestaties bij ziekte en moederschap en heeft artikel 15,
tweede lid, van EG-Verordening 574/72 betrekking op samentelling van
verzekeringstijdvakken voor de aanspraak op uitkering. Beide artikelen
zijn derhalve in deze procedure niet van belang voor de aanspraak van
appellant op ouderdomspensioen.
De Raad is voorts van oordeel dat de door appellant bestreden bepaling
in Bijlage VI niet in strijd is met het in artikel 39 van het EG-Verdrag
verankerde beginsel van het vrije verkeer van werknemers binnen de EU.
In Bijlage VI is immers tot uitdrukking gebracht dat het wonen binnen de
EU, op een enigszins vergelijkbare wijze als in de nationale overgangsvoordelen ten aanzien van het wonen binnen Nederland, ertoe leidt dat
tijdvakken gelegen vóór 1 januari 1957, voorzover toen een band met
Nederland heeft bestaan, als verzekerde tijdvakken in aanmerking genomen
kunnen worden. Aldus wordt het vrije verkeer binnen de EU niet
belemmerd, aangezien migratie binnen de EU niet in de weg staat aan
toekenning van pensioenaanspraken voor tijdvakken, waarin nog geen
verzekering ingevolge de AOW mogelijk was en waarin door middel van
wonen of werken een band met Nederland heeft bestaan.
Namens appellant is aangevoerd dat sprake is van een belemmering van het
vrije verkeer, omdat een persoon die onafgebroken verzekerd is geweest
in Nederland op grond van artikel 6 van het Koninklijk besluit van 14
december 1985 (KB 632) geacht wordt aan de actuele wooneis voor de nationale
overgangsvoordelen te voldoen, hetgeen ertoe leidt dat die persoon zich
na zijn 65e verjaardag, met behoud van zijn volledige AOW-pensioen, in
beginsel overal kan vestigen, terwijl een persoon die vóór zijn 65e
verjaardag gemigreerd is binnen de EU en niet onafgebroken verzekerd is
gebleven in Nederland, slechts bij vestiging in andere landen binnen de
EU zijn aanspraak op de op grond van Bijlage VI toegekende
overgangsvoordelen behoudt. Voorzover in deze situatie gesproken kan
worden van een door artikel 39 van het EG-Verdrag beschermde situatie
-het nadeel voor betrokkene treedt immers eerst in bij migratie buiten
de EU- is de Raad van oordeel dat ten aanzien van appellant geen sprake
is geweest van een belemmering van de migratie, aangezien appellant er
na zijn vestiging buiten Nederland voor had kunnen kiezen de verzekering
ingevolge de AOW vrijwillig voort te zetten, waardoor hij in dezelfde
situatie had verkeerd als eerstbedoelde persoon.
Met betrekking tot het beroep van appellant op de Overeenkomst
onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen.
In artikel 2 van de Overeenkomst is bepaald dat deze in Nederland van
toepassing is op de wettelijke regeling inzake ouderdomsverzekering,
zijnde de AOW. Dit betekent dat artikel 4 van de Overeenkomst,
inhoudende dat Nederlandse onderdanen die aanspraak kunnen maken op
uitkeringen bedoeld in artikel 2, deze uitkeringen volledig en zonder
enige beperking kunnen genieten zolang zij op het grondgebied van één
van de overeenkomstsluitende partijen woonachtig zijn, ook slechts van
toepassing kan zijn op aanspraken gebaseerd op de AOW. Met de rechtbank
is de Raad van oordeel dat de aan appellant in 1995 toegekende aanspraak
op overgangsvoordelen op grond van Bijlage VI, sub j, punt 2, niet is
toegekend op grond van een nationale Nederlandse wettelijke regeling.
Daarbij acht de Raad van belang dat in Bijlage VI een communautaire
regeling is getroffen waarin het beginsel van de opheffing van
bepalingen inzake de woonplaats specifiek is geregeld voor onderdanen
van lidstaten van de EU die migreren binnen de EU. Een dergelijke
regeling kan reeds naar zijn aard niet aangemerkt worden als een
nationale wettelijke regeling, waarop een bilaterale overeenkomst -
behoudens eventuele expliciet andersluidende bepalingen waarvan hier
niet is gebleken - in het algemeen slecht betrekking kan hebben. Dit
betekent dat appellant op grond van de Overeenkomst geen aanspraak kan
maken op behoud van de op grond van Bijlage VI toegekende
overgangsvoordelen. Voorts heeft de rechtbank terecht verwezen naar de
uitspraak van de Raad van 25 februari 1998 (RSV 98/201) waarin is
overwogen dat de Overeenkomst geen bepalingen bevat op grond waarvan
appellant aanspraak kan maken op overgangsvoordelen, indien hij niet
voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 55 en 56 van de AOW.
Ten aanzien van het beroep van appellant op de artikelen 3, 10 en 19 van
IAO-Verdrag 48, merkt de Raad allereerst op dat de artikelen 3 en 10
betrekking hebben op tijdvakken van verzekering, dan wel op uitkeringen
verkregen op grond van een bepaalde verzekeringsduur volgens de
nationale wetgeving. Nu het op grond van Bijlage VI aan appellant
toegekende tijdvak van 27 juni 1944 tot 1 januari 1957 niet krachtens
verzekering is verkregen, kan reeds op deze grond het beroep van
appellant op deze bepalingen niet slagen. Verder is de Raad van oordeel
dat ook de bepalingen in IAO-Verdrag 48 - evenals die in de Overeenkomst
-
slechts betrekking kunnen hebben op nationaal verkregen rechten en dus
niet op aanspraken verkregen op grond van een communautaire regeling als
hier aan de orde. Ook het beroep op IAO-Verdrag 48 kan appellant
derhalve niet baten.
Met betrekking tot het beroep van appellant op het EVSZ merkt de Raad op
dat nu zowel Zwitserland als Frankrijk dit verdrag niet hebben
geratificeerd en dus geen partij zijn bij het EVSZ, reeds op deze grond
het beroep op het EVSZ en het aanvullend akkoord bij dit verdrag niet
kan slagen.
De Raad onderschrijft voorts hetgeen de rechtbank heeft overwogen met
betrekking tot de vraag of bij de toekenning van overgangsvoordelen
sprake is van een verboden onderscheid naar leeftijd, als bedoeld in
artikel 26 van het IVBPR, ten aanzien van personen geboren vóór 1
januari 1942. Ook de Raad is van oordeel dat een onderscheid in
behandeling van personen die ten tijde van de inwerkingtreding van de
AOW op 1 januari 1957 ouder dan wel jonger dan 15 jaar waren,
voortvloeit uit het karakter van deze wetgeving en gebaseerd is op
redelijke en objectieve gronden.
Ten slotte heeft appellant er terecht op gewezen dat de rechtbank zijn
beroep op het vertrouwensbeginsel niet heeft besproken. De Raad stelt
ten aanzien van dit geschilpunt vast dat niet is gebleken van enige
ondubbelzinnige mededeling of toezegging van de zijde van gedaagde op
grond waarvan appellant mocht verwachten dat na een wijziging van zijn
woonplaats naar een land buiten de EU zijn recht op een
ouderdomspensioen ingevolge de AOW ongewijzigd zou blijven. Het beroep
op het vertrouwensbeginsel kan derhalve niet slagen.
Nu voorts niet is gebleken dat appellant op 1 februari 2000 voldeed aan
de voorwaarden voor aanspraak op de nationale overgangsvoordelen, leidt
het hiervoor overwogene tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan
slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge
de Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met
zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|