|
Uitspraak
02/437
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is bij beroepschrift van 22 december 2001, met bijlage,
aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de
rechtbank Zwolle van 19 december 2001, nummer AOW 01/407, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 november
2003, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren op 21 juli 1930, is met ingang van 13 januari 1965
als gemoedsbezwaarde vrijgesteld van het betalen van premie voor onder
andere de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij schrijven van 2 februari 1998
heeft appellant gedaagde medegedeeld dat hij niet wist dat de door hem
betaalde premievervangende belasting op een spaarrekening bij de Sociale
verzekeringsbank is gestort. Voorts heeft appellant in dit schrijven om
een opgave van het saldo op zijn rekening gevraagd. Bij schrijven van 10
maart 1998 heeft gedaagde de rechten van appellant op een zogenoemde
uitkering gemoedsbezwaarden AOW aan hem kenbaar gemaakt. Daarbij heeft
gedaagde opgemerkt dat reeds op 9 september 1996 een aanvraagformulier
voor deze uitkering naar de boekhouder van appellant is verzonden en dat
er geen apart formulier is ontwikkeld voor het aanvragen van deze
uitkering. Nadat op 22 mei 2000 nogmaals telefonisch overleg met
appellants boekhouder had plaatsgevonden, is op 14 juni 2000 een
aanvraagformulier aan appellant toegezonden. Uiteindelijk heeft
appellant de aanvraag voor de uitkering gemoedsbezwaarden AOW bij brief
van 30 juni 2000 ingediend.
Bij primair besluit van 4 augustus 2000 heeft gedaagde appellant met
ingang mei 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering
gemoedsbezwaarden AOW. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat geen sprake
is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede
volzin, van de AOW, zodat er naar het oordeel van gedaagde geen
aanleiding bestaat om de uitkering eerder dan met ingang van mei 1999
aan appellant toe te kennen. Het tegen dit besluit door appellant
ingestelde bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 1 maart 2001 (hierna:
het bestreden besluit) onder handhaving van zijn standpunt dat in de
onderhavige kwestie geen sprake is van een bijzonder geval ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Met gedaagde is de
rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval als
bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW. Daartoe
heeft de rechtbank overwogen dat het beleid van gedaagde ten aanzien van
het aannemen van een bijzonder geval in overeenstemming is met de
jurisprudentie van deze Raad. Naar het oordeel van de rechtbank is
gesteld noch gebleken dat appellant niet in staat was om eerder dan op
30 juni 2000 een aanvraag voor de uitkering gemoedsbezwaarden AOW in te
dienen. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een
verschoonbare onbekendheid met een mogelijk recht op een uitkering
gemoedsbezwaarden AOW. Indien er bij appellant onduidelijkheid zou
hebben bestaan over zijn recht op uitkering dan had hij naar het oordeel
van de rechtbank informatie kunnen inwinnen bij gedaagde of het
Ministerie van Financiën.
In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat
sprake is van een bijzonder geval, omdat gedaagde hem pas in 2000
duidelijk heeft gemaakt dat hij als gemoedsbezwaarde met een
aanvraagformulier voor een AOW-pensioen de uitkering gemoedsbezwaarden
AOW kon aanvragen. Appellant blijft van oordeel dat hij daarvoor
onvoldoende is geïnformeerd door gedaagde. Ter ondersteuning van dit
standpunt heeft appellant een door gedaagde aan zijn echtgenote op
65-jarige leeftijd toegezonden brief overgelegd, waarin is vermeld dat
de uitkering gemoedsbezwaarden AOW in tegenstelling tot het AOW-pensioen
niet op verzekering is gebaseerd, dat de vragen over verzekering niet
hoeven te worden ingevuld en dat er voor het aanvragen van een uitkering
gemoedsbezwaarden AOW geen apart formulier is, maar dat zij wordt
verzocht om het formulier "aanvraag AOW" als zodanig te
beschouwen.
De Raad overweegt als volgt.
In artikel 48, eerste lid, van de AOW is - voorzover hier van belang -
bepaald dat degene die premievervangende inkomsten- of loonbelasting als
bedoeld in artikel 20 van de Wet Financiering Volksverzekeringen heeft
betaald recht heeft op uitkering, indien en zolang hij recht heeft op
ouderdomspensioen krachtens de AOW en hij wegens gemoedsbezwaren geen
aanspraak maakt op dit ouderdomspensioen.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel is het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 14 tot en met 26, 31 en 33, van de AOW, voorzover
daarvan in bij ministeriële regeling te stellen regels niet wordt
afgeweken, van overeenkomstige toepassing.
Krachtens artikel 16, eerste lid, van de AOW gaat het ouderdomspensioen
in op de eerste dag van de maand waarin de belanghebbende aan de
voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet. In afwijking
hiervan kan een ouderdomspensioen krachtens het tweede lid, eerste
volzin, van dit artikel niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de
eerste dag van de maand, waarin de aanvraag werd ingediend of waarin
ambtshalve toekenning plaatsvond. In bijzondere gevallen kan hiervan op
grond van artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW worden
afgeweken. Van belang is voorts dat ingevolge artikel 14, eerste lid,
van de AOW het ouderdomspensioen alsmede de verhoging van het
ouderdomspensioen op aanvraag wordt toegekend.
Uit het bepaalde in vermelde artikelen vloeit voort dat aan appellant
eerst voor een uitkering gemoedsbezwaarden AOW in aanmerking kan worden
gebracht nadat hij een aanvraag daartoe heeft ingediend. Gelet hierop
ziet de Raad zich voor de beantwoording van de vraag gesteld of een
eerder contact dan het contact op 22 mei 2000, naar aanleiding van welk
contact appellant op 30 juni 2000 een aanvraag heeft ingediend, als een
aanvraag in de zin van artikel 14, eerste lid, van de AOW kan worden
aangemerkt. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe overweegt
de Raad dat gesteld noch gebleken is dat het contact tussen de
boekhouder van appellant en gedaagde in september 1996 meer was dan een
verzoek om informatie over de uitkering gemoedsbezwaarden AOW, terwijl
het daarop volgend door gedaagde aan appellant opgestuurde
aanvraagformulier door appellant niet is geretourneerd. Ook het verzoek
van appellant van 2 februari 1998 om een overzicht van de door hem
opgebouwde rechten op een uitkering gemoedsbezwaarden AOW, kan naar het
oordeel van de Raad niet als aanvraag worden beschouwd, nu ook in dit
geval het door gedaagde aan appellant opgestuurde aanvraagformulier door
deze niet is ingevuld en geretourneerd. De Raad leidt uit deze gang van
zaken af, dat appellant om hem moverende redenen niet eerder dan middels
het naar aanleiding van het telefonisch onderhoud op 22 mei 2000 met
appellants boekhouder toegezonden aanvraagformulier een aanvraag om een
uitkering gemoedsbezwaarden AOW heeft ingediend. Derhalve heeft gedaagde
naar het oordeel van de Raad terecht mei 2000 als datum aanvraag van
deze uitkering aangemerkt.
Vervolgens dient de Raad te beoordelen of in de onderhavige kwestie
sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan gedaagde had moeten
besluiten om de uitkering gemoedsbezwaarden AOW met ingang van meer dan
één jaar terugwerkende kracht aan appellant toe te kennen. Hoewel de
Raad het voorstelbaar acht dat gedaagde aan de aparte regeling voor
gemoedsbezwaarden meer specifieke aandacht besteedt in het
aanvraagformulier, is de Raad anders dan appellant van oordeel dat
gedaagde in het onderhavige geval voldoende informatie aan appellant
heeft verstrekt om tot een (tijdige) aanvraag van een uitkering
gemoedsbezwaarden AOW te kunnen komen. Blijkens het verhandelde ter
zitting van de Raad stuurt gedaagde aan gemoedsbezwaarden een half jaar
voordat zij 65 jaar worden een begeleidend schrijven bij het
aanvraagformulier, waarin is vermeld op welke wijze gemoedsbezwaarden
een uitkering kunnen aanvragen. Blijkens het schrijven van gedaagde van
10 maart 1998 zijn op 9 september 1996 de voorwaarden voor een uitkering
gemoedsbezwaarden AOW ook met de boekhouder van appellant besproken.
Voorts is in dit schrijven onder andere nogmaals aan appellant
medegedeeld dat er geen apart aanvraagformulier voor de aanvraag van een
uitkering gemoedsbezwaarden AOW is ontwikkeld, maar dat appellant
daarvoor het aanvraagformulier voor een AOW-pensioen kan gebruiken.
Indien en voorzover er bij appellant na ontvangst van vermelde
informatie van gedaagde en de aanvraagformulieren nog onduidelijkheid
bestond, had het naar het oordeel van de Raad op de weg van appellant
gelegen om gedaagde hierover te benaderen. Appellant heeft er echter om
hem moverende redenen voor gekozen om tot mei 2000 geen nadere actie te
ondernemen. De gevolgen van deze keuze dienen volgens de Raad voor
risico van appellant te blijven. De Raad is derhalve van oordeel dat in
het onderhavige geval geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld
in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW.
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet
kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der
Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2004.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|