|
Uitspraak
00/3944
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante is mr. H.E.A. Driessen te Leiden, op bij aanvullend
beroepschrift aangegeven gronden, in hoger beroep gekomen van de
uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 23 juni 2000, nr. AWB 98/288,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief - annex bijlagen - van 26 juli 2002 heeft gedaagde een vraag van
de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 november 2002,
waar voor appellante is verschenen mr. Driessen voornoemd en haar
echtgenoot [naam echtgenoot], en waar voor gedaagde is verschenen mr.
H.S. van Zanten, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Bij brief van 27 oktober 2003 heeft gedaagde aan de Raad laten weten,
gezien het belang van de uitkomst van het onderhavige geding voor andere
zaken, het op prijs te stellen dat het onderhavige geding zo spoedig
mogelijk wordt afgehandeld.
Bij faxbericht van 9 december 2003 heeft appellantes gemachtigde de Raad
een aanvulling op de beroepsgronden doen toekomen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 19 december
2003, waar voor appellante wederom zijn verschenen mr. Driessen en
appellantes echtgenoot, en waar voor gedaagde is verschenen mr. H.S. van
Zanten voornoemd.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren [in] 1952, heeft bij formulier gedagtekend 3 juli
1997 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van
de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellante heeft daarbij aangegeven de
Filippijnse nationaliteit te hebben en tot 20 september 1996 op de
Filippijnen te hebben gewoond.
Op 25 september 1996 is appellante opgenomen in de gemeentelijke
basisadministratie van Dordrecht. Door appellante is verder aangegeven
dat zij geen inkomsten heeft.
Op 1 april 1997 is zij gehuwd met de Nederlander [naam echtgenoot].
Bij besluit van 25 september 1997 heeft gedaagde aan appellante
medegedeeld dat zij zich vrijwillig kan verzekeren voor de AOW van 20
mei 1967 tot 25 september 1996, de datum waarop de verplichte
verzekering is ingegaan. Ten aanzien van de hoogte van de premie wordt
opgemerkt dat appellante, die niet de Nederlandse nationaliteit bezit,
de maximumpremie verschuldigd is. Het te verzekeren tijdvak omvat in
totaal 10.565 dagen. Op basis van de premie over het jaar 1996, te weten
f 6.980,-, bedraagt de verschuldigde premie dan: 10.565:360 maal f
6.980,- = f 204.843,-.
In bezwaar is namens appellante opgemerkt dat de berekening van de
premie onjuist is. De premie dient te worden berekend aan de hand van de
hoogte van de premie voor elk te verzekeren jaar. Daarnaast wordt
opgemerkt dat de wettelijke regeling, in strijd met de Nederlandse
Grondwet en bindende internationale verdragen, bij de premievaststelling
een onderscheid maakt naar nationaliteit.
Blijkens het verslag van de hoorzitting gehouden op 18 februari 1998
heeft appellantes gemachtigde gewezen op de Notitie Vrijwillige
verzekering AOW, AWW en AAW van 13 juli 1991 (TK 1990-1991, nr. 22 188,
nr. 2), waarin volgens hem wordt voorgesteld het
nationaliteitsonderscheid in de vrijwillige verzekering te laten
vervallen.
Bij besluit van 9 maart 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt ondermeer dat
hoewel de tekst van het Besluit Vrijwillige Verzekering AOW, AWW en AAW
van 2 februari 1990 (Stb. 38), hierna KB 38, anders doet vermoeden, ook
bij inkoop de berekening van de premie plaatsvindt op grond van de
hoogte van de premie over het jaar waarin betrokkene voor het eerst
verplicht verzekerd is geworden.
Het beroep dat namens appellante is gedaan op het grondwettelijk en
internationaal-rechtelijk discriminatieverbod wordt verworpen, onder
verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 februari 1994,
gepubliceerd in RSV 1994/217. Uit die uitspraak volgt, aldus gedaagde,
dat het bezit van de Nederlandse nationaliteit als voorwaarde voor de
mogelijkheid van gereduceerde premiebetaling mede vanuit een oogpunt van
praktische hanteerbaarheid aanvaardbaar is in het licht van artikel 26
van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke Rechten
(IVBPR).
De rechtbank heeft het beroep deels gegrond en deels ongegrond
verklaard. Ten aanzien van de berekening van de hoogte van de premie is
de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het
bepaalde in artikel 24, eerste lid, van KB 38, zodat het bestreden
besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.
Ten aanzien van appellantes grief inzake het maken van onderscheid naar
nationaliteit bij de berekening van de premie voor de vrijwillige
verzekering merkt de rechtbank op dat blijkens de Notitie Vrijwillige
verzekering AOW, AWW en AAW van 13 juli 1991, het onderscheid naar
nationaliteit destijds is aangebracht om te voorkomen dat een stroom van
buitenlanders naar Nederland op gang zou komen, uitsluitend met de
bedoeling om in Nederland tegen een lage (berekende) premie de
oudedagsvoorziening veilig te stellen. De rechtbank is met gedaagde van
oordeel dat het gemaakte onderscheid, in het licht van deze
doelstelling, objectief en redelijk te rechtvaardigen is, en dat het
bezit van de Nederlandse nationaliteit als voorwaarde voor de
mogelijkheid van gereduceerde premiebetaling mitsdien niet een door
artikel 1 van de Grondwet verboden discriminatie oplevert. Ook het
beroep van appellante op artikel 14 van het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
en artikel 26 van het IVBPR wordt verworpen, dit laatste onder
verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 februari 1994.
In hoger beroep hebben partijen in essentie hun in de eerdere fasen van
de procedure naar voren gebrachte standpunten herhaald.
Desgevraagd heeft gedaagde aan de Raad laten weten dat de Wet herziening
vrijwillige verzekering AOW en ANW van 26 april 2001 (Stb. 212), waarbij de artikelen 38 en 39 van de AOW
zodanig zijn gewijzigd dat een langere aanmeldingstermijn geldt voor
de deelname aan de vrijwillige verzekering, geen betrekking heeft op het
bestreden besluit. Naar het oordeel van gedaagde dient, indien de
verplichte verzekering is aangevangen vóór 2001, de premie voor de
vrijwillige verzekering bij inkoop te worden berekend met toepassing van
KB 38.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad zal eerst ingaan op het beroep dat namens appellante is gedaan
op artikel 14 van het EVRM. In dit kader dient eerst beoordeeld te
worden of artikel 14 van het EVRM in de onderhavige casus wel toepassing
kan vinden, nu deze bepaling slechts kan worden ingeroepen in samenhang
met een ander in het EVRM neergelegd recht. In casu lijkt in dat verband
van belang of het recht op vrijwillige verzekering ingevolge de AOW kan
worden aangemerkt als een 'possession' in de zin van artikel 1 van het
Eerste Protocol bij het EVRM dan wel van een recht dat valt binnen het
bereik van dit artikel.
Naar het oordeel van de Raad is dat het geval. Daartoe overweegt de Raad
dat de AOW een opbouwverzekering is. Dat brengt mee dat het AOW-pensioen,
en daardoor ook het verzekeringsrecht waardoor de opbouw van AOW-rechten
mogelijk wordt, moet worden aangemerkt als een 'possession' in de zin
van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (vgl. CRvB 5 december 2003, nr. 01/4843 ANW). Nu het bij de regeling van de
vrijwillige verzekering voor de AOW tevens gaat om een wettelijk
geregeld recht, terwijl de enige grond waarop gedaagde aan appellante de
mogelijkheid van gereduceerde premiebetaling ontzegt, is gelegen in haar
nationaliteit, is de Raad van oordeel dat appellante in het onderhavige
geval een beroep toekomt op artikel 14 van het EVRM.
De Raad verwijst in verband met het voorgaande naar de arresten van het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Fretté v.
Frankrijk (EHRM 26 februari 2002, EHRC 2002/30), Karner v. Oostenrijk (EHRM
24 juli 2003, EHCR 2003/83 en Koua Poirrez v. Frankrijk (EHRM 30
september 2003, EHRC 2003/89).
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt verder dat ter rechtvaardiging
van het maken van onderscheid op de enkele grond van nationaliteit, door
de verdragsstaat 'very weighty reasons' dienen te worden aangevoerd (vgl.
Gaygusuz v. Oostenrijk (EHRM 16 september 1996, AB 1997, 179) en het
hiervoor reeds genoemde arrest Koua Poirrez v. Frankrijk). Het EHRM
interpreteert artikel 14 van het EVRM daarenboven aldus dat de gestelde
rechtvaardigingsgrond op het moment van het maken van het onderscheid
nog steeds opgeld zal moeten doen. De Raad wijst in dat verband op het
arrest van het EHRM in de zaak Wessels-Bergervoet v. Nederland (EHRM 4
juni 2002, USZ 2002/215).
In de hiervoor reeds meermalen genoemde Notitie Vrijwillige verzekering
AOW, AWW en AAW van 13 juli 1991 komt het kabinet tot de conclusie dat
Nederlanders zowel als niet-Nederlanders in de toekomst onder dezelfde
condities premies krachtens de vrijwillige AOW/AWW-verzekering
verschuldigd dienen te zijn. Het kabinet is tot deze opvatting gekomen
op grond van het ervaringsfeit dat de discriminatieverboden, neergelegd
in EEG-Verordening 1408/71 en in bi- en multilaterale verdragen, er niet
toe hebben geleid dat de betreffende nationalen in 'de afgelopen
decennia in ruime mate gebruik hebben gemaakt van de vrijwillige AOW/AWW-verzekering
tegen een berekende premie.'
Eerst met ingang van 1 januari 2001 is het onderscheid naar
nationaliteit wat betreft de vaststelling van de hoogte van de
verschuldigde (minimum) premie voor de vrijwillige verzekering AOW, Anw
komen te vervallen (Besluit van 8 mei 2001, Stb. 224).
In de memorie van toelichting (MvT) bij de hiervoor reeds aangehaalde
Wet van 26 april 2001, TK 2000-2001, 27 468, nr. 3, p. 2, wordt opgemerkt dat tot 1999 de werkzaamheden om tot nieuwe wet-
en regelgeving te komen voor de vrijwillige verzekering AOW en Anw
hebben stil gelegen. De overwegingen die ten grondslag lagen aan de
Notitie van 13 juli 1991 zijn door de jaren heen valide gebleven. De
praktijk wijst volgens deze memorie niet uit dat de opheffing van de
nationaliteitsvoorwaarde jegens zowel EU-onderdanen als
verdragsonderdanen tot de eerder verwachte toevloed van buitenlanders
naar Nederland heeft geleid. Verder wordt door het kabinet erkend dat
het wetsvoorstel later is ingediend dan wenselijk was. Diverse andere
essentiële projecten die ook de nodige aandacht en tijd vergden zijn er
de oorzaak van dat -gezien de begrensde beschikbare menskracht-
indiening op een eerder tijdstip niet kon worden gerealiseerd (zie TK
2000-2001, 27 468, nr. 6, pagina 15).
Uit het voorafgaande blijkt dat reeds in 1991 het het kabinet duidelijk
was dat de aan het onderscheid naar nationaliteit bij de vrijwillige
verzekering voor de AOW ten grondslag gelegde rechtvaardigingsgrond niet
(meer) bleek op te gaan. De bij de vormgeving van de regeling gevreesde
toestroom van buitenlanders heeft zich niet voorgedaan. Ook na 1991 is
van een dergelijke toestroom niet gebleken. De Raad concludeert dat ten
tijde hier van belang er geen sprake (meer) was van 'very weighty
reasons' die het maken van onderscheid naar nationaliteit bij een
beslissing als hier aan de orde konden rechtvaardigen.
De Raad merkt nog op dat het beroep dat gedaagde heeft gedaan op de
uitspraak van de Raad van 11 februari 1994 (reeds) geen doel treft nu
het in dat geval, nog afgezien van het feit dat er in die zaak sprake
was van een aanvraag om vrijwillige verzekering bij vertrek uit
Nederland en niet van inkoop bij vestiging in Nederland, ging om de
beoordeling van besluiten uit 1988, terwijl in het onderhavige geval een
besluit uit 1997 ter beoordeling staat.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit, voorzover
daarbij aan appellante is geweigerd haar tegen gereduceerd tarief toe te
laten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW op de enkele grond dat
zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, in rechte geen stand kan
houden. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van de rechtbank, voorzover
daarbij het beroep van appellante ongegrond is verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 966,- voor verleende rechtsbijstand.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Vernietigt het bestreden besluit voor zover dit door de rechtbank in
stand is gelaten;
Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door de Sociale
verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het gestorte
recht van € 77,14 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|