|
Uitspraak
01/4138
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Middelburg op 11 juli 2001
tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. Awb 00/714, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft A.P.J. Roctus, gemachtigde, een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2004, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door E.W. Viertelhauzen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar
gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer Roctus.
II. MOTIVERING
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde ontving sedert 1 januari 1998 een nabestaandenuitkering op
basis van de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Bij besluit van 10 september 1999 is aan gedaagde met ingang van 1 juni
1999 in de vorm van een voorschot een ouderdomspensioen ingevolge de
Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde.
Bij besluit van 22 september 1999 is de betaling van deze AOW-uitkering
met ingang van oktober 1999 geschorst tot de hoogte van een uitkering
voor een gehuwde.
Op basis van de uitkomst van een door appellant ingesteld onderzoek naar
de leefsituatie van gedaagde, heeft appellant bij besluiten van 4
januari 2000 de hierboven genoemde uitkeringen van gedaagde herzien, in
die zin dat zij met ingang van 1 januari 1998 recht heeft op een Anw-uitkering van 30% van het
minimumloon en dat zij per 1 juni 1999 recht heeft op een AOW-uitkering
voor een gehuwde of een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding
voert, zonder AOW-toeslag, een en ander op de grond dat gedaagde een
gezamenlijke huishouding voert met [naam partner].
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 november
2000 gegrond verklaard voorzover gericht tegen de herziening van de
Anw-uitkering en ongegrond verklaard voorzover gericht tegen de
herziening van de AOW-uitkering.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit op
bezwaar van 16 november 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd
dat de rechtbank ten onrechte geen gezamenlijke huishouding tussen
gedaagde en [naam partner] heeft aangenomen, mede in aanmerking genomen
dat de relatie tussen beiden het karakter van een commerciële relatie
te boven gaat.
Gedaagde heeft aangevoerd dat wederzijdse verzorging zich niet voordeed,
aangezien uitsluitend door haar aan [naam partner] zorg werd verleend,
terwijl evenmin sprake was van een intieme relatie tussen beiden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Krachtens artikel 1, derde lid, onder a, van de AOW wordt in deze wet
als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige
die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond
van het vierde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding
sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van het hebben van
hoofdverblijf in dezelfde woning. De Raad stelt vast dat niet in geschil
is dat daarvan in het geval van gedaagde en [naam partner], in de
periode vanaf 1 juni 1999 tot aan het overlijden van [naam partner] in
april 2001, sprake was.
Het tweede criterium waaraan voldaan moet zijn, is dat van de
wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van
financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het
uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende vaste
lasten. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of
slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en
omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in
elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van
betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve
aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het
verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
Daarvan uitgaande is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat
de voorhanden zijnde gegevens in het onderhavige geval toereikend zijn
voor de conclusie dat gedaagde en [naam partner] ten tijde hier in
geding ook aan het criterium van wederzijdse verzorging voldeden.
Vast is komen te staan dat gedaagde en [naam partner] van de woning, de
daarin aanwezige voorzieningen en het meubilair gezamenlijk gebruik
maakten, met uitzondering van elkaars slaapkamer. Voorts is niet in
geschil dat gedaagde (dagelijks) zorg verleende aan [naam partner].
Verder is uit het onderzoek naar de leefsituatie van gedaagde en [naam
partner] gebleken dat beiden hebben bijgedragen aan de inrichting van de
woning, dat [naam partner] af en toe in financiële zin bijsprong bij de
aanschaf van duurzame gebruiksgoederen, dat [naam partner] werkzaamheden
verrichtte in het tuintje bij de woning, dat betrokkenen beschikten over
een machtiging voor elkaars bankrekeningen en dat gedaagde [naam
partner] als erfgenaam had aangewezen in haar testament.
Van een zakelijke kostgangersrelatie tussen gedaagde en [naam partner]
kan, gelet op het voorafgaande, niet worden gesproken. Daarbij is nog
van belang dat de afspraken over kost, inwoning en zorg alsmede de
daarvoor bedongen prijs niet in een contract waren vastgelegd alsmede
dat niet kan worden gesproken van een commerciële prijs.
Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft appellant
terecht aangenomen dat gedaagde en [naam partner] vanaf 1 juni 1999 een
gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 1 van de AOW voerden.
Dat gedaagde en wijlen haar echtgenoot er destijds voor hebben gekozen
[naam partner] in huis te nemen met het oog op diens hulpbehoevendheid,
maakt dat niet anders. Evenmin is van belang of tussen gedaagde en [naam
partner] al dan niet een intieme relatie bestond. Bij de beoordeling van
de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van de
AOW moeten het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding en
de tussen betrokkenen bestaande relatie alsmede hun persoonlijke
gevoelens daaromtrent buiten beschouwing blijven.
Het voorafgaande brengt mee dat appellant, gelet op het bepaalde in
artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW, de AOW-uitkering
van gedaagde terecht met ingang van 1 juni 1999 heeft herzien.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de
AOW, op grond waarvan appellant geheel of gedeeltelijk van herziening
kon afzien, is de Raad niet gebleken.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging
in aanmerking en dient het inleidende beroep ongegrond te worden
verklaard.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9
maart 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|