|
Uitspraak
00/5547
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Frankrijk), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Bij besluiten van 31 augustus 1999 heeft gedaagde de hoogte van het
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) van appellant
met ingang van 1 februari 1997 bepaald op f 1069,79 bruto per maand en
het bedrag van de toeslag ingevolge de AOW op f 256,75 bruto per maand.
Bij besluit van 24 maart 2000 (het bestreden besluit) is het bezwaar van
appellant tegen deze besluiten gegrond verklaard, in dier voege dat de
hoogte van het AOW-pensioen en de toeslag eerst ingaande september 1999
wordt herzien en vastgesteld op f 1174,43 respectievelijk f 281,86 bruto
per maand.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 25 september 2000, nr.
AOW 00/2719, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant twee
reacties heeft ingezonden.
Beide partijen hebben de Raad toestemming verleend zonder behandeling
ter zitting uitspraak te doen.
II. MOTIVERING
Gelet op de toestemming van partijen als bedoeld in artikel 8:57 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) sluit de Raad het onderzoek.
Appellant, geboren [in] 1928, is getrouwd geweest met [naam echtgenote].
In november 1996 is de samenwoning beëindigd en op 17 januari 1997 is
de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Het recht op de toeslag die appellant voor zijn echtgenote ontving, is
per 1 december 1996 beëindigd en vanaf die datum ontving appellant een
volledig pensioen voor een ongehuwde (f 1489,96 bruto per maand).
Met ingang van 1 februari 1997 woont appellant samen met [naam partner],
geboren [in] 1940, die tussen haar 15e jaar en het moment waarop
appellant 65 jaar is geworden nimmer verzekerd is geweest voor de AOW.
Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde bij besluiten van 20 april 1998
aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 februari 1997 recht
heeft op een AOW-pensioen van f 1069,79 bruto per maand en een toeslag
van f 143,37 bruto per maand. Dit laatste bedrag is 24% van de maximale
toeslag. Het bedrag van het AOW-pensioen is echter bij besluit van 27
april 1998 met ingang van 1 februari 1997 weer gewijzigd in f 1542,21.
Tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt en daarbij onder
meer aangevoerd dat de hoogte van de toeslag die hij voor zijn partner
ontvangt lager is dan die hij voor zijn ex-echtgenote ontving. Bij
besluit van 13 januari 1999 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond
verklaard, waarin appellant heeft berust.
Gedaagde heeft daarna de besluiten van 31 augustus 1999 afgegeven,
waarbij de hoogte van het AOW-pensioen en de toeslag waarop appellant
ingaande 1 februari 1997 recht heeft is vastgesteld op f 1069,79
respectievelijk f 256,75 bruto per maand. Zowel het maximale pensioen
voor een gehuwde als de maximale toeslag bedraagt in het geval van
appellant 50% van het wettelijk minimumloon.
In bezwaar heeft appellant zich gekeerd tegen het feit dat hij, na
aanvankelijk onder de zogeheten 70/30%-regeling te zijn gevallen, thans
met terugwerkende kracht onder de 50/50%-regeling is gebracht.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de maximale bedragen waarvan
het ouderdomspensioen en de toeslag in het geval van appellant worden
afgeleid gehandhaafd op 50% van het wettelijk minimumloon. Daartoe heeft
gedaagde overwogen dat de verhouding van het AOW-pensioen en de toeslag
voor 1 februari 1994 70% pensioen en 30% toeslag was. Met ingang van 1
februari 1994 is de AOW met betrekking tot de hoogte van het
ouderdomspensioen gewijzigd. Vanaf februari 1994 heeft alleen de
ongehuwde en de daarmee gelijkgestelde pensioengerechtigde recht op een
AOW-pensioen van 70% van het minimumloon. De gehuwde en daarmee
gelijkgestelde pensioengerechtigde heeft met ingang van februari 1994
recht op een AOW-pensioen van 50% van het minimumloon. De toeslag
bedraagt met ingang van februari 1994 ook 50% van het minimumloon. Voor
de groep AOW-gerechtigden die een AOW-pensioen in de verhouding 70/30
ontvingen, werd een overgangsregeling getroffen. Betrokkenen behouden
het zogenaamde 70/30 pensioen totdat de (huwelijks)partner de 65-jarige
leeftijd bereikt. Deze overgangsbepaling is echter niet meer van
toepassing wanneer het huwelijk of de samenwoning wordt verbroken. Bij
een eventueel nieuw huwelijk of nieuwe samenwoning heeft de
pensioengerechtigde recht in de verhouding 50/50. Gelet op het feit dat
appellant is gescheiden, alleen is gaan wonen en vanaf 1 februari 1997
weer samenwoont, is de nieuwe regeling vanaf die datum op hem van
toepassing. Het in het besluit van 27 april 1998 vermelde bedrag is dan
ook niet juist. Omdat appellant deze fout niet kon onderkennen ziet
gedaagde af van herziening met terugwerkende kracht, zodat de regeling
die vanaf 1 februari 1994 geldt, eerst ingaande 1 september 1999 op
appellant van toepassing wordt.
De rechtbank heeft het bestreden besluit onderschreven en daarbij de
grief van appellant dat sprake is van een discriminerende regeling
verworpen. De door appellant gesignaleerde ongelijkheid is terug te
voeren op het onderscheid tussen pensioengerechtigden met een partner
jonger dan 65 jaar die (een aantal jaren) niet verzekerd is (geweest)
voor de AOW en pensioengerechtigden met een partner jonger dan 65 jaar
die wel vanaf de 15-jarige leeftijd ononderbroken verzekerd is voor de
AOW. Onder verwijzing naar de in RSV 1992/158 gepubliceerde uitspraak
van de Raad, heeft de rechtbank overwogen dat een dergelijk onderscheid
niet discriminerend is.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat gedaagde de verandering
op 1 februari 1997 over het hoofd heeft gezien en dus heeft gehandeld
alsof er niets was veranderd met als gevolg dat de 70/30%-regeling is
blijven gelden. Hieruit volgt naar appellants mening dat een overgang
naar de 50/50%-regeling pas kan plaatsvinden, als de partner 65 jaar
wordt of als de huidige samenwoning zou worden beëindigd.
Ter onderbouwing van zijn grief dat sprake is van een discriminerende
regeling heeft appellant aangevoerd dat de vermindering van de toeslag
die evenredig is met het aantal niet-verzekerde jaren, als gevolg van de
overgang van de 70/30%-regeling naar de 50/50%-regeling, evenredig
toeneemt met het aantal niet-verzekerde jaren. Hierdoor wordt in feite
een dubbele korting toegepast.
De Raad overweegt als volgt.
In geschil is uitsluitend de vraag of gedaagde met ingang van 1
september 1999 de hoogte van het AOW-pensioen van appellant en de aan
hem toekomende toeslag op het juiste bedrag heeft vastgesteld. De Raad
beperkt zich tot dat punt.
De bij Wet van 23 oktober 1993, Stb. 1993, 592, met ingang van 1
februari 1994, ingevoerde wijzigingen in de AOW, zoals uiteengezet in
het bestreden besluit, vormen de aanleiding voor dit geding. Het
aanvankelijk voor appellant vastgestelde AOW-pensioen en de aan hem
toekomende toeslag voor zijn ex-echtgenote waren gebaseerd op de
70/30%-regeling. Met ingang van 1 februari 1994 is die regeling komen te
vervallen en bedraagt de verhouding van het ouderdomspensioen en de
toeslag 50/50% van het wettelijk minimumloon.
In het eerste lid van artikel II van de Wet van 23 oktober 1993 is
bepaald dat de bepalingen van de AOW, zoals die wet luidde vóór de
datum van inwerkingtreding van deze wet, ook op en na die datum van
toepassing blijven op de pensioengerechtigde die vóór die datum
recht had op ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde van
wie de echtgenoot jonger is dan 65 jaar, zolang deze echtgenoot de
65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt. In het tweede lid van artikel
II is bepaald dat het eerste lid geen toepassing meer vindt indien op
een datum op of na de inwerkingtreding van deze wet, het huwelijk van de
pensioengerechtigde met de in het eerste lid bedoelde echtgenoot is geëindigd.
Nu het huwelijk van appellant met [naam echtgenote] op 17 januari 1997
is geëindigd, dient op grond van voornoemde overgangsbepalingen te
worden aangenomen dat vanaf dat moment de bij Wet van 23 oktober 1993,
Stb. 1993, 592, met ingang van 1 februari 1994 ingevoerde wijzingen in
de AOW op appellant van toepassing zijn geworden en appellant bij een
eventueel nieuw huwelijk of nieuwe samenwoning niet langer onder de 70/30%-regeling valt. Dit betekent dat op appellant vanaf 1 februari
1997, de dag waarop hij een duurzame huishouding is gaan voeren met
mevrouw Bouzon, de met ingang van 1 februari 1994 ingevoerde
50/50%-regeling van toepassing is geworden. Dat gedaagde aanleiding
heeft gezien de 50/50%-regeling eerst per 1 januari 1999 op appellant
toe te passen, omdat hij, zonder dat dit door appellant had kunnen
worden onderkend, in zijn besluit van 27 april 1998 de hoogte van het
AOW-pensioen en de toeslag onjuist had vastgesteld, komt de Raad niet
onjuist voor. De Raad ziet hierin geen aanleiding appellant in zijn
standpunt te volgen dat gedaagde gehouden is de 70/30%-regeling toe te
passen totdat zijn partner 65 jaar wordt of de huidige samenwoning zou
worden beëindigd.
Ten aanzien van de grief van appellant met betrekking tot het
discriminerend effect van de wijziging van de 70/30%-regeling naar de
50/50%-regeling, onderschrijft de Raad allereerst hetgeen de rechtbank
daaromtrent heeft overwogen. Ook het versterkend effect van de
toegepaste korting dat optreedt als gevolg van de wijziging in de AOW,
is terug te voeren op het aantal niet-verzekerde jaren. De Raad acht
hierbij tevens van belang, zoals al eerder uitgesproken in de in RSV
1998/187 gepubliceerde uitspraak, dat de 70/30%-verhouding in wezen een
vreemd element is geweest in de AOW-systematiek.
Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het hoger beroep
niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb acht de Raad
geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|