|
Uitspraak
01/6488
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, op
daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november
2001, nr. AOW 01/713-ZWI en AOW 01/714-ZWI, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 februari 2004, waar
namens appellant is verschenen mr. Van Zundert, voornoemd, en waar
gedaagde zich - met kennisgeving - niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren op 25 december 1930, heeft in januari 1996 een
aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet
(AOW) ingediend bij gedaagde. Op het toen ingediende en mede door
appellant ondertekende aanvraagformulier is medegedeeld dat de
echtgenote van appellant, [naam echtgenote], geen eigen inkomsten had.
Gedaagde heeft vervolgens aan appellant een ouderdomspensioen voor een
gehuwde toegekend alsmede een toeslag op dat pensioen ter hoogte van 54%
van de volledige toeslag. Bij de vaststelling van de hoogte van de
toeslag is gedaagde ervan uitgegaan dat de echtgenote van appellant geen
inkomsten had. In januari 1997 heeft gedaagde een door appellant
ondertekend inkomensopgaveformulier ontvangen, waarop is vermeld dat de
echtgenote van appellant geen inkomsten had.
In januari 1999 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat hem, na
terugkeer van een betrekkelijk langdurige detentie, was gebleken dat
zijn echtgenote hem had verlaten. Vervolgens heeft gedaagde van de
belastingdienst vernomen dat de echtgenote van appellant in 1996 en 1997
inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Bij besluiten van 16 december 1999
heeft gedaagde de aan appellant toegekende toeslag vanaf december 1998
ingetrokken en de over het tijdvak van januari 1996 tot eind 1998
toegekende toeslag herzien en nader vastgesteld rekening houdend met de
inkomsten uit arbeid van zijn echtgenote in die jaren. Appellant heeft
geen rechtsmiddelen aangewend tegen deze besluiten. In een begeleidende
brief bij het besluit van 16 december 1999 heeft gedaagde medegedeeld
dat hij van plan is het te veel betaalde bedrag aan toeslag ad f
10.702,72 van appellant terug te vorderen.
Bij besluit van 22 augustus 2000 heeft gedaagde de te veel betaalde
toeslag ad f 10.702,72 van appellant teruggevorderd. Tevens is in dit
besluit medegedeeld dat de invordering van dit bedrag zal geschieden
middels maandelijkse inhoudingen van f 350,- op het AOW-pensioen van
appellant, welk bedrag in overleg met appellant zou zijn vastgesteld.
Bij beslissing op bezwaar van 15 februari 2001 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde het besluit van 22 augustus 2000 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard, overwegende dat gedaagde bij de terugvordering ten
onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen hetgeen vóór en vanaf 1
augustus 1996 te veel is betaald. Ten aanzien van het tijdvak gelegen vóór
1 augustus 1996 is de rechtbank van oordeel dat gedaagde bevoegd is tot
terugvordering, omdat deze een gevolg is van door appellant verstrekt
onjuiste inlichtingen. Wat betreft de periode vanaf 1 augustus 1996 heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde gehouden is
tot terugvordering en dat niet is gebleken van dringende redenen op
grond waarvan afgezien kan worden van terugvordering. Daarbij heeft de
rechtbank opgemerkt dat het voor rekening en risico van appellant komt
dat hij tijdens zijn detentie zijn financiën heeft laten regelen door
zijn echtgenote. Verder acht de rechtbank het door appellant in beroep
ingenomen standpunt dat zijn echtgenote handtekeningen zou hebben
vervalst niet aannemelijk geworden. Ten aanzien van de invordering heeft
de rechtbank overwogen dat de door appellant daartegen aangevoerde
grieven er niet toe kunnen leiden dat een lager maandbedrag dient te
worden vastgesteld.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat er wel dringende
redenen zijn om af te zien van terugvordering, omdat de toeslag tijdens
de detentie van appellant feitelijk aan zijn echtgenote werd betaald,
die appellant op diverse wijzen opgelicht zou hebben. Verder is
aangevoerd dat de handtekeningen op het aanvraagformulier en het
inkomstenopgaveformulier niet van appellant zijn, dat gedaagde tijdens
de detentie van appellant diverse brieven niet aan hem heeft gericht
maar aan het adres waar zijn echtgenote verbleef en dat niet vast staat
dat te veel toeslag aan appellant is betaald, aangezien appellant aan
gedaagde heeft verzocht om terug te komen van het herzieningsbesluit van
16 december 1999.
De Raad overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat gedaagde bij de besluiten van 16 december
1999 de aan appellant toegekende toeslag ingevolge de AOW met ingang van
december 1998 heeft ingetrokken en die toeslag over het daaraan
voorafgaande tijdvak vanaf 1 december 1995 heeft herzien. Nu appellant
heeft berust in die besluiten staat in rechte vast dat gedaagde te veel
toeslag aan appellant heeft betaald. Het feit dat appellant inmiddels
kennelijk aan gedaagde heeft verzocht terug te komen van het
herzieningsbesluit kan hieraan niet afdoen, omdat niet is gebleken dat
gedaagde enig besluit - in ieder geval niet een voor appellant gunstig
besluit - heeft genomen op dit verzoek.
Ten aanzien van de terugvordering van de te veel betaalde toeslag stelt
de Raad verder voorop dat op grond van de gedingstukken als vaststaand
aangenomen moet worden dat appellant onjuiste althans onvolledige
informatie heeft verstrekt aan gedaagde omtrent de inkomsten van zijn
echtgenote, door op het aanvraagformulier en het inkomensopgaveformulier geen melding te maken van de inkomsten uit arbeid van
zijn echtgenote. Hetgeen namens appellant in dit verband is aangevoerd
heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Daarbij acht de
Raad van belang dat appellant tijdens een hoorzitting op 14 juli 2000
heeft verklaard het aanvraagformulier voor een AOW-pensioen zelf te
hebben laten invullen aan het loket van een kantoor van gedaagde. Voorts
heeft gedaagde tijdens deze hoorzitting verklaard dat hij het
inkomensopgaveformulier van 6 januari 1997 op verzoek van zijn
echtgenote heeft ondertekend en dat het formulier daarna door haar is
ingevuld. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat onder deze
omstandigheden het verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige gegevens
voor rekening en risico van appellant komt. Verder acht de Raad niet
aannemelijk geworden dat op het aanvraagformulier en voornoemd
inkomensopgaveformulier valse handtekeningen van appellant zijn
geplaatst. Zoals hiervoor reeds vermeld heeft appellant erkend dat hij
het formulier van 6 januari 1997 zelf heeft ondertekend. Deze
handtekening stemt overeen met de handtekening op het aanvraagformulier.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat geen andere conclusie kan
worden getrokken dan dat door toedoen van appellant vanaf januari 1996
te veel toeslag is betaald. Dit betekent dat gedaagde op grond van
artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de AOW, zoals deze
bepaling luidde tot 1 augustus 1996, bevoegd moet worden geacht om
hetgeen tot die datum te veel aan toeslag is betaald terug te vorderen
van appellant. Met betrekking tot de wijze waarop gedaagde van deze
bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt, te weten door het volledige te veel
betaalde bedrag over dat tijdvak terug te vorderen, is de Raad van
oordeel dat in de namens appellant geschetste omstandigheden onvoldoende
grond is gelegen om deze terugvordering in rechte niet in stand te
laten.
Ten aanzien van de vanaf 1 augustus 1996 teveel betaalde toeslag is
gedaagde op grond van artikel 24 van de AOW, zoals dat artikel vanaf die
datum luidt, gehouden tot terugvordering. Uit deze bepaling volgt verder
dat op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van
terugvordering kan worden afgezien. Zoals de Raad reeds meermalen heeft
overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen
in de onaanvaardbaarheid van de - financiële en/of sociale - gevolgen die
een terugvordering voor een verzekerde heeft. Appellant heeft, onder
meer in dit verband, gewezen op de financiële schade die hij lijdt als
gevolg van de handelwijze van zijn toenmalige echtgenote. De Raad moet
evenwel constateren dat gesteld noch gebleken is dat appellant ten
gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld
terechtkomt, zodat zijn beroep op een dringende reden om van
terugvordering af te zien faalt.
Ten slotte is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde met het
vastgestelde bedrag van f 350,- waarmee de terugvordering maandelijks
wordt verrekend op het ouderdomspensioen van appellant, ruim binnen de
voor appellant vastgestelde - en niet betwiste - aflossingscapaciteit is
gebleven.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B van der Putten.
|
|