|
Uitspraak
02/2772
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ´s-Gravenhage van
8 april 2002, nr. AWB 01/311 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft vervolgens nog een brief aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 februari 2004,
waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij
de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is geboren op 18 september 1916 en heeft vanaf 1 september
1981 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW)
ontvangen ter hoogte van het maximale pensioen voor een ongehuwde. Op 19
april 2000 is appellant een geregistreerd partnerschap aangegaan met
[naam partner], geboren op 25 oktober 1944.
Na kennisneming van dit geregistreerd partnerschap heeft gedaagde bij
besluit van 14 november 2000 het aan appellant toegekende
ouderdomspensioen met ingang van 1 mei 2000 herzien in een
ouderdomspensioen voor een gehuwde. Aan dit besluit ligt een
buitendienstrapport ten grondslag, waaruit - onder meer - blijkt dat
appellant en zijn partner zelfstandig zijn blijven wonen in
respectievelijk [woonplaats] en [plaatsnaam] en dat zij een belangrijk
deel van de week gezamenlijk doorbrengen in [plaatsnaam]. Verder blijkt
uit dit rapport dat zij het geregistreerd partnerschap met name zijn
aangegaan om de nalatenschap na het overlijden voor elkaar veilig te
stellen.
Bij beslissing op bezwaar van 4 januari 2001, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde de herziening van het ouderdomspensioen
gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dat
besluit ongegrond verklaard, overwegende dat aan het geregistreerd
partnerschap ingevolge titel 5a van het BW dezelfde rechtsgevolgen zijn
verbonden als aan een huwelijk. Het feit dat appellant en zijn partner
een partnerschap zijn aangegaan, betekent volgens de rechtbank reeds dat
geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De wijze waarop zij
invulling hebben gegeven aan het partnerschap kan hieraan niet afdoen.
Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden, aanvoerende dat
geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
De Raad ziet zich in deze procedure allereerst gesteld voor de
beantwoording van de vraag of appellant en zijn partner vanaf de datum
van de registratie van hun partnerschap duurzaam gescheiden leefden als
bedoeld in artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW.
Voorop moet worden gesteld dat blijkens vaste rechtspraak sprake is van
duurzaam gescheiden leven indien ten aanzien van gehuwden, waarmee
geregistreerde partners gelijk zijn gesteld, de toestand is ontstaan
dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de
echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als
ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden,
althans door één hunner, als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten
blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Voorts heeft de
Raad in zijn rechtspraak al eerder tot uitdrukking gebracht, onder meer
in zijn uitspraak van 16 juni 1999, AB 1999/423, dat in het algemeen kan
worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk of een
geregistreerd partnerschap de betrokken partners de intentie hebben een
echtelijke samenleving - al dan niet op termijn - aan te gaan, maar dat de
Raad het niet uitgesloten acht dat onder omstandigheden vanaf de
huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken,
mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat een dergelijke situatie
zich in dit geval niet voordoet. De Raad acht hierbij doorslaggevend dat
appellant tijdens het buitendienstonderzoek heeft verklaard dat hij
iedere week van vrijdag tot en met dinsdag bij zijn partner in
[plaatsnaam] verblijft, dat zij al jaren samen op vakantie gaan en ook
andere activiteiten gezamenlijk ondernemen. Aan deze conclusie doet niet
af dat appellant en zijn partner ieder over een eigen huishouden
beschikken en dat er geen financiële verstrengelingen zijn. Ook het
gestelde dat appellant en zijn partner een geregistreerd partnerschap
zijn aangegaan om de nalatenschap na het overlijden veilig te stellen,
leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat gedaagde terecht heeft
aangenomen dat appellant vanaf 19 april 2000 niet als duurzaam
gescheiden levend aangemerkt kan worden. Dit betekent eveneens dat
gedaagde terecht heeft besloten het aan appellant toegekende
ouderdomspensioen voor een ongehuwde met ingang van 1 mei 2000 te
herzien in het pensioen voor een gehuwde en dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|