|
Uitspraak
02/3820
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [gemeentenaam], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, op daartoe
bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2002, nr. AWB 01/4274
AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn vervolgens nog enkele stukken aan de Raad
gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 februari 2004,
waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. B.J. Davidse,
advocaat te Haarlem, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door H.J.M. de Wit, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant is geboren [in] 1932 en heeft vóór 1 januari 2001 een
ouderdomspensioenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW)
ontvangen ter hoogte van het maximale pensioen voor een ongehuwde. Op 15
december 2000 is appellant gehuwd met [naam echtgenote], geboren op 9
april 1942. Appellant heeft vervolgens aan gedaagde medegedeeld dat
sprake is van een zogenoemd LAT-huwelijk; beide huwelijkspartners hebben
hun eigen woning aangehouden en zij hebben huwelijksvoorwaarden gesloten
waarbij is overeengekomen dat de kosten van ieders huishouding door de
respectieve bewoner gedragen worden.
Bij besluit van 13 maart 2001 heeft gedaagde het aan appellant
toegekende ouderdomspensioen met ingang van 1 januari 2001 herzien in
een ouderdomspensioen voor een gehuwde. Aan dit besluit ligt een
buitendienstrapport ten grondslag, waaruit - onder meer - blijkt dat
appellant en zijn echtgenote zelfstandig zijn blijven wonen binnen één
appartementencomplex in [gemeentenaam], dat zij gezamenlijk activiteiten
ondernemen en ook bij ziekte voor elkaar zorgen. Verder blijkt uit dit
rapport dat appellant en zijn echtgenote bij akte van
huwelijksvoorwaarden zijn overeengekomen dat de echtgenote jaarlijks een
bedrag van f 5.000,- als een renteloze lening ter beschikking stelt aan
appellant ter bestrijding van de kosten van levensonderhoud. Tijdens de
hoorzitting is voorts nog verklaard dat besloten is in het huwelijk te
treden om zo te profiteren van de voordelige successierechten voor
gehuwden.
Bij beslissing op bezwaar van 31 oktober 2001, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde de herziening van het ouderdomspensioen
gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dat
besluit ongegrond verklaard, overwegende dat niet ondubbelzinnig is
gebleken dat appellant en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leven als
waren zij niet gehuwd. Namens appellant is dit oordeel in hoger beroep
bestreden, waarbij er onder meer op is gewezen dat geen sprake is van
een gezamenlijke huishouding.
De Raad ziet zich in deze procedure allereerst gesteld voor de
beantwoording van de vraag of appellant en zijn echtgenote vanaf de
datum van hun huwelijk duurzaam gescheiden leefden als bedoeld in
artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW.
Voorop moet worden gesteld dat blijkens vaste rechtspraak sprake is van
duurzaam gescheiden leven indien ten aanzien van gehuwden de toestand is
ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van
de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als
ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden,
althans door één hunner, als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten
blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Voorts heeft de
Raad in zijn rechtspraak al eerder tot uitdrukking gebracht, onder meer
in zijn uitspraak van 16 juni 1999, AB 1999/423, dat in het algemeen kan
worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokken
partners de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op
termijn - aan te gaan, maar dat de Raad het niet uitgesloten acht dat
onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden
leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en
omstandigheden blijkt.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat een dergelijke situatie
zich in dit geval niet voordoet. De Raad acht hierbij doorslaggevend dat
uit het buitendienstonderzoek - en hetgeen appellant over de relatie met
zijn echtgenote heeft verklaard - blijkt dat zij in hetzelfde
appartementencomplex wonen, regelmatig bij elkaar verblijven en ook
andere activiteiten gezamenlijk ondernemen. Aan deze conclusie doet niet
af dat appellant en zijn echtgenote ieder over een eigen huishouden
beschikken en dat er geen financiële verstrengelingen zijn. Ook het
gestelde dat appellant en zijn echtgenote zijn gehuwd om aldus te kunnen
profiteren van de gunstige successierechten voor gehuwden, kan de Raad
niet tot een ander oordeel brengen.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat gedaagde terecht heeft
aangenomen dat appellant vanaf 15 december 2000 niet als duurzaam
gescheiden levend aangemerkt kan worden. Dit betekent eveneens dat
gedaagde terecht heeft besloten het aan appellant toegekende
ouderdomspensioen voor een ongehuwde met ingang van 1 januari 2001 te
herzien in het pensioen voor een gehuwde en dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|