|
Uitspraak
03/567
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15
januari 2003, nr. SBR 02/373, waarnaar hierbij wordt verwezen. Voorts
heeft appellant bij brief van 19 maart 2003 gereageerd op het
proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 februari 2004,
waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J.N. Keuper,
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar namens gedaagde is
verschenen mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren op 21 december 1936, is in november 1995 gehuwd met
[naam echtgenoot], geboren op 10 april 1934 (hierna ook: de echtgenoot).
In juli 2001 heeft gedaagde een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) aangevraagd, waarbij zij heeft aangegeven ongehuwd te
zijn en alleen te wonen. Appellant heeft vervolgens een onderzoek
ingesteld. Tijdens dit onderzoek is gebleken dat gedaagde en haar
echtgenoot vanaf hun huwelijk in 1995 zelfstandig zijn blijven wonen. Na
zijn zesde hersenbloeding in 1995 wenste de echtgenoot, die volgens de
behandelend specialist niet lang meer te leven had, te trouwen met
gedaagde, met wie hij al langer bevriend was. Aldus wilde de echtgenoot
financieel iets voor gedaagde regelen. Toen de echtgenoot zichzelf niet
meer kon verzorgen, heeft gedaagde die taak op zich genomen. Gedaagde
kookt enige keren per week voor haar echtgenoot in zijn woning een warme
maaltijd, doet daarna de afwas en gaat dan weer terug naar haar eigen
woning. Tevens verzorgt zij de financiën en de administratie voor haar
echtgenoot.
Bij besluit van 22 oktober 2001 heeft appellant aan gedaagde met ingang
van 1 december 2001 een ouderdomspensioen voor een gehuwde toegekend.
Bij beslissing op bezwaar van 10 januari 2002, hierna: het bestreden
besluit, heeft appellant het besluit van 22 oktober 2001 gehandhaafd.
Daarbij is overwogen dat sprake is van contacten tussen gedaagde en haar
echtgenoot en van zodanige zorg ten opzichte van elkaar dat niet gezegd
kan worden dat beiden afzonderlijk hun eigen leven leiden alsof zij niet
met elkaar gehuwd zijn.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard, overwegende - onder meer - dat sprake is van een
bijzondere situatie, waarin ondubbelzinnig is gebleken dat gedaagde en
haar echtgenoot duurzaam gescheiden leven als waren zij niet gehuwd.
Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij gedaagde als
eiseres, haar echtgenoot als Brummer en appellant als verweerder is
aangeduid:
"eiseres en Brummer hebben altijd gescheiden geleefd en in deze
situatie is na hun huwelijk niet of nauwelijks wijziging gekomen,
terwijl een wijziging ook niet door hen werd beoogd. Uit de hiervoor
weergegeven verklaringen van eiseres en Brummer blijkt namelijk dat zij
nooit samen hebben gewoond en dat hun beider intentie voor en kort na
het huwelijk niet was gericht op samenleving. Het was de wens van
Brummer, die - naar toen de verwachting was - hoogst waarschijnlijk niet
lang meer zou leven, om met eiseres te trouwen zodat zij na zijn
overlijden recht zou hebben op een nabestaandenpensioen. Tegen de
verwachtingen in is Brummer langer blijven leven. Uit deze feiten en
omstandigheden blijkt ondubbelzinnig dat eiseres en Brummer steeds
duurzaam gescheiden hebben geleefd. Eiseres verzorgt weliswaar bijna
dagelijks een warme maaltijd voor Brummer, zij doet zijn was en houdt
zijn (financiële) administratie bij omdat hij dat zelf niet meer kan,
maar deze omstandigheden brengen de rechtbank in de onderhavige situatie
niet tot een ander oordeel, aangezien eiseres de hiervoor omschreven
activiteiten als vriendendienst verricht."
Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden, waarbij er onder
meer op is gewezen dat nu de verplichting tot samenwoning voor gehuwden
in het BW is vervallen, met name van belang is of de echtgenoten elkaar
getrouwheid, hulp en bijstand verlenen als bedoeld in artikel 1:81 van
het BW. De wijze waarop gedaagde en haar echtgenoot inhoud geven aan hun
wederzijdse zorgplicht rechtvaardigt naar het oordeel van appellant de
toekenning van een ouderdomspensioen voor een gehuwde.
De Raad ziet zich in deze procedure allereerst gesteld voor de
beantwoording van de vraag of gedaagde en haar echtgenoot vanaf de datum
van hun huwelijk, althans vanaf 1 december 2001, duurzaam gescheiden
leefden als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW.
Voorop moet worden gesteld dat blijkens vaste rechtspraak sprake is van
duurzaam gescheiden leven indien ten aanzien van gehuwden de toestand is
ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van
de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als
ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden,
althans door één hunner, als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten
blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Voorts heeft de
Raad in zijn rechtspraak al eerder tot uitdrukking gebracht, onder meer
in zijn uitspraak van 16 juni 1999, AB 1999/423, dat in het algemeen kan
worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokken
partners de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op
termijn - aan te gaan, maar dat de Raad het niet uitgesloten acht dat
onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden
leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en
omstandigheden blijkt.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat een dergelijke bijzondere
situatie zich in dit geval voordoet. De Raad acht hierbij doorslaggevend
dat gedaagde en haar echtgenoot voor hun huwelijk in 1995 al lang
bevriend waren en beiden zelfstandig woonden en dat in die situatie na
het huwelijk geen wijziging is gekomen, terwijl een wijziging door hen
ook niet werd beoogd. Uit de verklaringen van gedaagde en haar
echtgenoot blijkt dat hun beider intentie niet was gericht op een
samenleving op enige termijn, doch uitsluitend op een zakelijk regeling
ten aanzien van de erfenis van de echtgenoot met het oog op zijn op
korte termijn verwachte overlijden. Verder is de Raad niet gebleken dat
gedaagde en haar echtgenoot, naast het vrijwel dagelijks verzorgen van
de warme maaltijden en de administratie voor de echtgenoot, nog
contacten hadden welke tot een ander oordeel moeten leiden.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant
niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt, met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing
op bezwaar dient te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde, welke kosten worden begroot op € 322,- voor in hoger
beroep verleende rechtsbijstand, te betalen door de Sociale
verzekeringsbank aan gedaagde.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen
met inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 322,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat van de Sociale verzekeringsbank een recht van € 409,-
wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|