|
Uitspraak
01/6014
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale Verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft N. Klunder-van der Meer, wonende te Apeldoorn,
op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 18 oktober
2001, reg.nr. Awb 01/269, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28
januari 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante is weduwe en heeft op 13 juni 2000 een aanvraag om
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend. Op
het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat zij sedert 1980 haar woning
deelt met haar broer.
Bij primair besluit van 15 november 2000 heeft gedaagde, met toepassing
van artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, en vierde lid, van de AOW,
aan appellante met ingang van 1 november 2000 AOW-pensioen toegekend
naar de norm voor een gehuwde of een ongehuwde meerderjarige die met een
andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert.
Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij het
bestreden besluit van 26 april 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld
dat appellante en haar broer hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning
en vervolgens geoordeeld dat ook is voldaan het vereiste van wederzijdse
zorg.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Appellante heeft daarbij in het bijzonder naar voren
gebracht dat zij de uitkomst van gedaagdes besluitvorming onrechtvaardig
vindt, omdat zij jaren geleden haar - gehandicapte - broer in haar huis
heeft opgenomen en samen met haar inmiddels overleden echtgenoot voor
hem heeft gezorgd en nog steeds voor hem zorgt. Om geen schulden te
maken zou appellante voorts genoodzaakt zijn om ook aan het geld van
haar broer te komen.
De Raad heeft in het betoog van appellante geen grond gevonden om tot
een ander oordeel te komen dan de rechtbank, welk oordeel geheel in lijn
is met de uitspraak van de Raad van 14 juli 1998 (gepubliceerd in AB
1998/368). Hierbij tekent de Raad nog aan dat de AOW, anders dan de
Algemene nabestaandenwet, geen regeling bevat die is toegesneden op de
situatie van een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging
van een hulpbehoevende.
De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.G.
Treffers en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
10 maart 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|