|
Uitspraak
01/1437
AOW en 01/1778 AOW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde 1] en [gedaagde 2], beiden wonende te [woonplaats], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft
de Sociale Verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij een beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 12 januari 2001
tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nrs. 00/1235 AOW en 00/1236 AOW,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagden heeft mr. P.J.M. van Kuppenveld, advocaat te
's-Hertogenbosch, in beide zaken een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 februari 2004, waar appellant
zich niet heeft doen vertegenwoordigen en waar gedaagde [gedaagde 1]
(hierna: [gedaagde 1]) in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. van
Kuppenveld. Gedaagde [gedaagde 2] (hierna: [gedaagde 2] is verschenen
bij gemachtigde mr. van Kuppenveld.
II. MOTIVERING
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant heeft aan [gedaagde 2] met ingang van juni 1997 en aan
[gedaagde 1] met ingang van november 1997 een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een
ongehuwde.
Bij voor gedaagden afzonderlijke besluiten van 23 augustus 1999 heeft
appellant deze AOW-pensioenen per de respectievelijke toekenningsdata
herzien naar de norm voor een gehuwde of voor een ongehuwde die
samenwoont, op de grond dat gedaagden met ingang van 29 januari 1992 een
gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren. In een begeleidend schrijven
heeft appellant aan elk van de gedaagden een (nader) besluit tot
terugvordering van te veel betaald pensioen aangekondigd.
De tegen deze besluiten door beide gedaagden gemaakte bezwaren zijn bij
afzonderlijke besluiten van 31 december 1999 gegrond verklaard in die
zin dat, met intrekking van de herzieningsbeslissingen van 23 augustus
1999, aan gedaagden met ingang van januari 1999 een AOW-pensioen is
toegekend naar de norm voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de
proceskosten en het griffierecht - de tegen de besluiten op bezwaar van
31 december 1999 ingestelde beroepen gegrond verklaard en deze besluiten
vernietigd, met de opdracht aan appellant nieuwe besluiten op bezwaar te
nemen.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Krachtens artikel 1, derde lid, van de AOW wordt in deze wet als gehuwd
of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een andere
ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van
het vierde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding
sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Niet in geschil is dat gedaagden sedert 1992 hun hoofdverblijf hebben
gehad in dezelfde woning, aanvankelijk in de woning [adres] en vanaf 29
december 1998 in de woning [adres], beide gelegen in [woonplaats], zodat
aan het eerste criterium is voldaan.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse
verzorging. Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiële
verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend
delen van de woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien
van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe
mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende
zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.
Op bladzijde 3, eerste alinea, van de aangevallen uitspraak zijn feiten
en omstandigheden genoemd op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld
dat in dit geval niet is voldaan aan het criterium van de wederzijdse
verzorging. Nu deze feiten en omstandigheden door partijen in hoger
beroep niet zijn betwist, gaat ook de Raad daarvan uit.
Evenals de rechtbank, is de Raad van oordeel dat op grond van de door de
rechtbank genoemde feiten en omstandigheden niet is voldaan aan het
criterium van de wederzijdse verzorging.
Vaststaat dat appellant, naar aanleiding van het bezwaar van gedaagden,
over de periode van 1992 tot 29 december 1998 niet langer een
gezamenlijke huishouding van gedaagden heeft aangenomen. Naar de mening
van appellant is er evenwel reden om daarover vanaf 29 december 1998
anders te oordelen. Appellant heeft daarbij in de eerste plaats belang
gehecht aan een ten tijde van de bewoning van [adres] tussen partijen
gesloten overeenkomst waarin de over en weer te verrichten prestaties
zijn vastgelegd, terwijl voor de bewoning van de woning [adres] geen
schriftelijke overeenkomst voorhanden is. Voorts heeft appellant
betekenis toegekend aan het gegeven dat de woning [adres] zich gezien
zijn indeling, in tegenstelling tot de vorige woning, niet goed leent
voor een (zakelijke) huurrelatie.
De Raad overweegt hieromtrent dat de prestatie van [gedaagde 2] destijds
slechts hierin bestond dat zij het huis van [gedaagde 1] aan de [adres] schoonmaakte. Daartegenover verschafte
[gedaagde 1] aan [gedaagde 2] gratis woongelegenheid. Deze situatie deed
zich evenwel vanaf januari 1997 al niet meer voor. Vanaf die maand
betaalde [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] een maandelijkse huurprijs en was
van een overeenkomst met betrekking tot het leveren van zorg geen sprake
meer, noch betreffende de woning [adres] noch wat betreft de woning
[adres].
Ook overigens is niet gebleken dat wat betreft het aspect wederzijdse
zorg na de verhuizing in december 1998 een wijziging is opgetreden. Bij
de beoordeling van de situatie van samenwoning in de woning [adres] is
enige financiële verstrengeling tussen gedaagden buiten hetgeen
betrekking heeft op de woonlasten niet vastgesteld. Evenmin heeft
appellant vastgesteld dat gedaagden op andere wijze blijk geven zorg te
dragen voor elkaar, zoals door het gezamenlijk gebruik van maaltijden,
het voor elkaar wassen of koken, of het verrichten van gezamenlijke
activiteiten.
Tegen de achtergrond daarvan kan naar het oordeel van de Raad, anders
dan appellant heeft betoogd, aan de indeling en het gebruik van de
laatstelijk gezamenlijk bewoonde woning in dit geval geen
doorslaggevende betekenis worden toegekend, zodat de Raad onvoldoende
grondslag ziet voor het standpunt van appellant dat de samenwoning van
gedaagden per 29 december 1998, anders dan hij voorheen heeft
aangenomen, het karakter van een gezamenlijke huishouding in de zin van
de AOW heeft gekregen.
De door [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] betaalde prijs kan onder de
gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet worden beschouwd als een
bijdrage in de kosten van de huishouding, maar moet uitsluitend worden
gezien als een bijdrage in de woonlasten. Mede in aanmerking genomen het
verschafte woongenot is de overeengekomen prijs in het onderhavige geval
niet zodanig laag dat deze niet meer als reëel kan worden beschouwd. De
maandelijkse betaling van de huurprijs is voorts genoegzaam aangetoond.
De omstandigheid dat [gedaagde 1] met zijn kinderen mondeling heeft
afgesproken dat, in het geval hij komt te overlijden en [gedaagde 2] de
woning nog bewoont, zij zijn inboedel mag blijven gebruiken biedt
onvoldoende grond om tot en ander oordeel te komen.
Gelet op het voorafgaande moet worden aangenomen dat gedaagden ook vanaf
29 december 1998 geen gezamenlijke huishouding voerden, zodat het hoger
beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagden. Gezien de samenhang tussen beide zaken en de
gevoegde behandeling ter zitting van de Raad, bepaalt de Raad het bedrag
van die veroordeling op € 644,- in totaal, wegens aan hen verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagden tot een bedrag
van in totaal € 644,- , te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat appellant een griffierecht verschuldigd is van € 409,--,
te betalen aan de griffier van de Raad.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. R.M. van Male en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid
van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23
maart 2004.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) P.E.Broekman.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift
van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie
(gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van
Beroep in te zenden.
|
|