|
Uitspraak
01/5165
AOW en 01/5166 AOW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde 1] en [gedaagde 2], beiden wonende te [woonplaats], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant is op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank Maastricht
op 10 september 2001 tussen partijen gewezen uitspraken met de reg.nrs.
00/1026 AOW en 00/1027 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 10 februari 2004,
waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. K.C.M. van
Engelenhoven, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar
gedaagden niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde [gedaagde 1] (hierna: gedaagde 1) en gedaagde [gedaagde 2]
(hierna: gedaagde 2) ontvingen sedert respectievelijk 1 september 1995
en 1 januari 1988 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde.
Na een melding bij de opsporingsdienst van appellant dat gedaagden
zouden samenwonen, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van
de aan hen verleende ouderdomspensioenen. Op grond van de
onderzoeksbevindingen heeft appellant bij afzonderlijke besluiten van 15
februari 2000 - voorzover hier van belang - de ouderdomspensioenen van
gedaagden met ingang van 1 september 1995 herzien naar een AOW-pensioen
voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont op de grond dat
gedaagden met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren.
Bij afzonderlijke besluiten van 27 juni 2000 heeft appellant de gemaakte
bezwaren tegen de besluiten van 15 februari 2000 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de tegen de besluiten
van 27 juni 2000 ingestelde beroepen - met beslissingen omtrent
griffierechten en proceskosten - gegrond verklaard en de besluiten van
27 juni 2000 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank voldoende
aannemelijk geacht dat tussen gedaagden ten tijde in geding sprake was
van een zakelijke kostgangersrelatie en derhalve niet van een
gezamenlijke huishouding.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen het oordeel van
de rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is in geschil of gedaagden sedert 1 september 1995 een
gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1, derde lid, van
de AOW, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding.
Vaststaat dat gedaagden sedert november 1991 hun feitelijke woonadres op
het adres [adres] te [woonplaats] hebben. Daarmee is gegeven dat beiden
ten tijde in geding gezamenlijk in huisvesting voorzagen respectievelijk
hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste
criterium van artikel 1, derde lid, van de AOW is voldaan.
Het tweede criterium waaraan voldaan moet zijn om te kunnen spreken van
een gezamenlijke huishouding is dat van de wederzijdse verzorging. Naar
vaste rechtspraak van de Raad kan de wederzijdse verzorging blijken uit
een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen
die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee
samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiële
verstrengeling niet of in slechts geringe mate sprake is, kunnen ook
andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat
betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.
Uit het ingestelde onderzoek naar de woon- en leefsituatie van gedaagden
is onder meer naar voren gekomen dat geen schriftelijke
kostgangersovereenkomst is opgemaakt, dat schriftelijke bewijzen van
betaling van kostgeld ontbreken, dat nimmer inkomsten uit kostgeld aan
de Belastingdienst zijn opgegeven, dat gedaagden sedert 1980 in dezelfde
woning hebben gewoond en in 1991 gezamenlijk naar het adres [adres] zijn
verhuisd, dat beiden gezamenlijk gebruik maken van de gehele woning en
de daarin aanwezige voorzieningen behoudens twee gescheiden slaapkamers,
dat beiden beschikken over een huissleutel, dat gedaagde 1 kookt, wast
en strijkt voor gedaagde 2, dat gedaagde 2 incidenteel karweitjes in en
om huis verricht en dat gedaagde 1 wel eens gebruik maakt van de auto
van gedaagde 2.
Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat deze feiten en
omstandigheden, bezien in hun onderlinge samenhang, onvoldoende
aannemelijk maken dat sprake is van een louter zakelijke relatie die de
grenzen van een zakelijke kostgangersrelatie niet te boven gaat. Daaruit
vloeit tevens voort dat ook aan het zorgcriterium van artikel 1, derde
lid, van de AOW is voldaan. De Raad merkt in dat verband nog op dat, zo
gedaagde 2 al een maandelijks bedrag aan gedaagde 1 zou betalen, dat
bedrag onder de gegeven omstandigheden kan worden beschouwd als een
bijdrage in de kosten van de huishouding.
Daarmee staat voor de Raad vast dat gedaagden ten tijde in geding een
gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 1, derde lid,
van de AOW.
Dat de tussen gedaagden bestaande relatie tot 1 september 1995 door de
gemeentelijke sociale dienst in het kader van de Algemene Bijstandswet
als een kostgangersrelatie is gekwalificeerd, doet hieraan niet af.
Daargelaten dat het hier een andere periode betreft, kan aan de enkele
opgave van inkomsten uit kostgeld tijdens de bijstandsperiode niet
zonder meer de consequentie worden verbonden dat daarmee een
(permanente) kostgangersverhouding voldoende aannemelijk is geworden,
reeds omdat het ook in het kader van de bijstandswetgeving voor de
betrokkenen in financiële zin gunstiger is als de relatie tussen hen
beiden niet als een gezamenlijke huishouding maar als een
kostgangersrelatie wordt bestempeld. Voorts is appellant niet gebonden
aan het oordeel van een gemeentelijke sociale dienst.
Uit het voorgaande volgt dat de ouderdomspensioenen van gedaagden per 1
september 1995 tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld, zodat appellant
terecht tot herziening van die pensioenen is overgegaan. Van dringende
redenen op grond waarvan appellant de bevoegdheid toekwam geheel of
gedeeltelijk van herziening af te zien, is de Raad niet gebleken.
De aangevallen uitspraken dienen derhalve te worden vernietigd.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 27 juni 2000 ongegrond.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. R.H.M. Roelofs en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2004.
(get.) mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt
ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak
vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge
Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|