|
Uitspraak
03/4604
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Duitsland), appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep
gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nummer 03/540 AOW,
van 22 augustus 2003, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nog een nader stuk aan de Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 13 februari
2004, waar appellante - zoals tevoren bericht - niet is verschenen en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door P.D. Teuling, werkzaam
bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 25 januari 2002 heeft gedaagde aan appellante
medegedeeld dat haar nabestaandenuitkering op grond van de Algemene
nabestaandenweg (Anw) eindigt op 31 oktober 2002 omdat zij in de maand
november 2002 65 jaar wordt. Dit besluit is op 4 februari 2002 door de
Bundesversicherungsanstalt für Angestellte (BfA) aan appellante
doorgezonden.
Vervolgens heeft appellante een aanvraag om ouderdomspensioen ingevolge
de Algemene Ouderdomswet (AOW) gedaan op welke aanvraag door gedaagde
bij besluit van 14 november 2002 afwijzend is beslist omdat appellante
nimmer verzekerd is geweest voor de AOW.
Bij schrijven van 13 december 2002, door gedaagde ontvangen op 19
december 2002, heeft appellante bezwaar ingesteld tegen het besluit van
14 november 2002. Gezien de inhoud van het bezwaarschrift heeft gedaagde
het bezwaar gericht geacht tegen het besluit van 25 januari 2002 inzake
de beëindiging van de Anw-uitkering, hetgeen door appellante is
bevestigd in een telefoongesprek met gedaagde op 9 januari 2003. In dat
gesprek heeft appellante voorts nog medegedeeld dat zij de aanvraag om
AOW-pensioen heeft gezien als een hernieuwde aanvraag om
nabestaandenuitkering.
Bij beslissing op bezwaar van 16 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar
van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar tegen het
besluit van 25 januari 2002 niet tijdig is ingediend en niet is gebleken
dat er redenen zijn om deze overschrijding verschoonbaar te achten.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaartermijn ingevolge
artikel 48 van EG-verordening 574/72 is gaan lopen op 5 februari 2002 en
dat het bezwaar, dat is ingekomen bij gedaagde op 19 december 2002,
derhalve niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend.
Voorts heeft de rechtbank in de door appellante aangevoerde redenen voor
de late indiening van het bezwaarschrift geen aanleiding gezien de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
De Raad kan zich geheel met dit oordeel van de rechtbank verenigen en
maakt dat tot het zijne. De omstandigheid dat appellante veronderstelde
dat zij door middel van haar aanvraag om AOW wederom in het genot van
een nabestaandenpensioen zou worden gesteld, kan er naar het oordeel van
de Raad niet toe leiden dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld
dat appellante bij het indienen van haar bezwaarschrift niet in verzuim
is geweest. Nu door appellante in hoger beroep geen nieuwe of andere
omstandigheden zijn, aangevoerd welke in dit verband van belang zouden
kunnen zijn, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking.
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet
kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|