|
Uitspraak
03/957
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
15 januari 2003, nummer SBR 02/386, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 februari 2004,
waar appellant - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en waar namens gedaagde
is verschenen G.J.N. Keuper, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
In dit geding staat centraal of de rechtbank zich met gedaagde terecht
op het standpunt stelt dat appellant ten tijde hier van belang niet
duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.
De rechtbank heeft daaromtrent het volgende overwogen.
"Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is
sprake van duurzaam gescheiden leven indien ten aanzien van gehuwden de
toestand is ontstaan, dat, na de door beiden of één hunner gewilde
verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen
leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door
hen beiden, althans door één hunner, als bestendig is bedoeld. Dit zal
moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze
jurisprudentie ziet op gevallen waarin een einde is gekomen aan een
samenleving van echtgenoten.
De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval nimmer sprake is
geweest van een samenleving van eiser en zijn echtgenote. Aan de orde is
dan ook de vraag of vanaf de datum waarop eiser en Cleven zijn gehuwd
reeds kan worden gesproken van duurzaam gescheiden leven. In dit verband
heeft de Centrale Raad van Beroep in haar uitspraak d.d. 16 juni 1999,
met het kenmerk 98/2376 AOW, aangegeven dat in het algemeen kan worden
aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokken
huwelijkspartners de intentie hebben een echtelijke samenleving, al dan
niet op termijn, aan te gaan, doch de Centrale Raad van Beroep acht het
niet uitgesloten dat onder omstandigheden reeds vanaf de huwelijksdatum
van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, zij het dat zulks
ondubbelzinnig dient te blijken uit de feiten en omstandigheden.
In het onderhavige geval is de rechtbank, op grond van de uit de
gedingstukken blijkende feiten en omstandigheden, van oordeel dat een
dergelijke bijzondere situatie zich niet voordoet. Uit het
onderzoeksrapport d.d. 7 september 2001 komt immers naar voren dat eiser
heeft verklaard dat hij en zijn echtgenote zijn gehuwd omdat zij elkaar
al jaren kennen en zij iets wilden laten vastleggen. Eiser en zijn
echtgenote wonen thans niet samen omdat eiser in de buurt van
[woonplaats], alwaar hij thans woont, familie en kinderen heeft wonen en
zijn echtgenote in Horst, alwaar zij thans woont, werkt. Eiser heeft
verklaard dat zij in de toekomst, als zijn echtgenote met pensioen gaat,
gaan samenwonen. Uit het onderzoeksrapport komt voorts naar voren dat
eiser en zijn echtgenote elke week vanaf vrijdag tot en met maandag of
dinsdag bij elkaar zijn, dat zij gezamenlijke sociale verplichtingen,
zoals verjaardagen, hebben en dat zij samen op vakantie gaan. Gelet
hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat
eiser en zijn echtgenote, alhoewel zij thans (nog) niet samenwonen,
ieder hun eigen leven leiden als ware zij niet met elkaar gehuwd en dat
zij niet de intentie hebben om in de toekomst samen te gaan wonen. Van
duurzaam gescheiden leven vanaf de huwelijksdatum is in het onderhavige
geval dan ook geen sprake."
De Raad kan zich in deze overwegingen geheel vinden. Hij voegt daar nog
aan toe dat het voornemen van appellant en zijn echtgenote om op termijn
op hetzelfde adres te gaan wonen, inmiddels is gerealiseerd.
Appellants gemachtigde heeft er in hoger beroep op gewezen dat het
gescheiden leven kosten met zich meebrengt. De Raad merkt daaromtrent op
dat de omstandigheid dat het wonen op twee verschillende adressen meer
kosten met zich meebrengt, geen omstandigheid is die van belang is voor
het antwoord op de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden levende
echtgenoten.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met
zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|