|
Uitspraak
03/840
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Spanje), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam, nr. 02/862 AOW, van 22 januari 2003, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Gedaagde heeft voorts bij brief van 12 maart 2003 verzocht om toepassing
van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van
28 april 2003 afgewezen.
Appellant en gedaagde hebben vervolgens desgevraagd aan de Raad nadere
informatie verschaft.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 januari
2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van
Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank en waar gedaagde
is verschenen bij gemachtigde [naam gemachtigde].
II. MOTIVERING
Bij besluit van 24 augustus 2001 heeft appellant gedaagde medegedeeld
dat hij niet voor een vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) en Algemene nabestaandenwet (Anw) in aanmerking komt
omdat hij zich hiervoor niet tijdig, dat wil zeggen binnen één jaar na
het einde van zijn verplichte verzekering op 14 februari 1996, heeft
aangemeld.
Bij het bestreden besluit van 4 februari 2002 heeft gedaagde het bezwaar
tegen het besluit van 24 augustus 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 januari 2003 het
beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald
dat appellant een nieuw besluit op het bezwaarschrift van gedaagde dient
te nemen. Tevens is bepaald dat appellant aan gedaagde het betaalde
griffierecht vergoedt. Daarbij heeft de rechtbank onder meer het
volgende overwogen (waarbij voor eiser moet worden gelezen gedaagde en
voor verweerder appellant):
"(...) Eiser ontving sedert zijn vertrek uit Nederland (onder meer)
een WAO-uitkering. Gebleken is dat er over het tijdvak waarin eiser niet
meer verplicht was verzekerd, ten onrechte premies volksverzekeringen op
deze uitkering zijn ingehouden. Verweerder hanteert blijkens zijn
Beleidsregels in dergelijke gevallen het volgende beleid. Als de
betrokkene redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren verzekerd
te zijn geweest, kan een uitzondering worden gemaakt op de regel dat
aanmelding voor vrijwillige verzekering binnen één jaar moet
plaatsvinden. Indien de veronderstelling wordt geuit binnen één jaar
nadat de verplichte premiebetaling is gestopt, kan eveneens voortzetting
van de vrijwillige verzekering worden aangeboden.
De rechtbank constateert dat verweerder bij brief van 24 oktober 2001
aan eiser heeft meegedeeld dat, indien hij binnen één jaar nadat hij
van de inhoudingsplichtige uitvoeringsinstelling (de USZO) had vernomen
dat de premieheffing ten onrechte plaatsvond (9 juli 1998) een verzoek
om vrijwillige verzekering bij verweerder had ingediend, het in principe
mogelijk was geweest om zijn -ook toen al- te late aanmelding te
pardonneren.
De rechtbank constateert vervolgens dat eiser bij faxbrief van 2 juni
1998 schriftelijk heeft verzocht om informatie. Volgens het door
verweerder gehanteerde beleid wordt dit aangemerkt als een aanmelding
voor de vrijwillige verzekering. Deze constatering kan tot geen andere
conclusie leiden dan dat verweerder reeds voor 9 juli 1998 en derhalve
vóór het verstrijken van één jaar na die datum een aanmelding heeft
ontvangen. Het feit dat hij zich reeds vóór 9 juli 1998 heeft
aangemeld, doet daar niet aan af. Verweerder heeft zich ter zitting op
het standpunt gesteld dat de aanvraag van 2 juni 1998 alleen betrekking
heeft op eiseres, zodat er ten aanzien van eiser geen sprake is van een
tijdige aanmelding. Gelet echter op de bewoordingen van de faxbrief van
2 juni 1998, de naam van eiser onder deze brief en het feit dat
verweerder in de loop van de procedure de brief steeds als een aanvraag
van eiser heeft aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag
moet worden aangemerkt als een aanvraag van (in ieder geval) eiser.
Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een tijdige aanvraag van
eiser. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt
gesteld dat eiser niet kan worden toegelaten tot deelname aan de
vrijwillige verzekering."
Appellant heeft in hoger beroep onder meer gesteld dat deelname aan de
vrijwillige verzekering voor gedaagde mogelijk was geweest indien hij
zich vóór 9 juli 1999 zou hebben aangemeld. Gedaagdes aanvraag dateert
evenwel van 27 april 2001, derhalve bijna drie jaar nadat hij niet
langer redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren verzekerd te
zijn voor de volksverzekeringen. Onder die omstandigheden acht appellant
geen causaal verband aanwezig tussen die veronderstelling en de
gerealiseerde aanmelding op grond waarvan appellant meent dat geen
sprake kan zijn van een geval dat dermate bijzonder is, dat van de
dwingendrechtelijke bepalingen terzake van de aanmeldingstermijn zou
moeten worden afgeweken.
De Raad oordeelt als volgt.
Het gaat in het onderhavige geding om beantwoording van de vraag of het
bestreden besluit, waarbij appellant heeft geweigerd om gedaagde toe te
laten tot de vrijwillige verzekering AOW/Anw, in rechte stand kan
houden.
Met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak beantwoordt de
Raad die vraag ontkennend.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet
tot een ander oordeel kunnen brengen. Hierbij merkt de Raad op dat
appellant blijkens zijn hoger beroepschrift eraan voorbijgaat dat in het
bestreden besluit door hem is overwogen dat gedaagde zich op 2 juni 1998
voor deelname aan de vrijwillige verzekering heeft aangemeld. Uitgaande
van laatstgenoemde datum heeft gedaagde zich tijdig, dat wil zeggen voor
9 juli 1999, aangemeld. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger
beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep,
welke kosten worden begroot op € 232,22 aan reiskosten.
Ten aanzien van de opmerking namens gedaagde dat een extra
levensverzekering voor gedaagde is afgesloten merkt de Raad op dat,
voorzover hiermee beoogd is een verzoek tot schadevergoeding te doen,
gedaagde zich dienaangaande tot appellant kan wenden.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag ad € 232,22 te betalen door de Sociale verzekeringsbank
aan gedaagde;
Bepaalt dat van de Sociale verzekeringsbank een recht ad € 409,--
wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|