|
Uitspraak
02/431
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
De erven van [naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (Italië),
appellanten,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3,4, en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Bij besluit van 16 oktober 2000 heeft gedaagde met ingang van juli 2000
aan [naam betrokkene] (hierna te noemen: rechthebbende) een pensioen
krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 6% van
het maximale pensioen voor een gehuwde.
Na het bezwaar dat rechthebbende tegen dat besluit heeft gemaakt, heeft
gedaagde bij het bestreden besluit van 7 mei 2001 het genoemde besluit
van 16 oktober 2000 herroepen en hem een pensioen van 10% van het
maximale pensioen van een gehuwde toegekend.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 21 december 2001
(geregistreerd onder nummer 01/2269 AOW) het door rechthebbende tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Op de in het beroepschrift vermelde gronden heeft rechthebbende tegen
bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 10 mei 2003 heeft de echtgenote van rechthebbende bericht
dat rechthebbende op 19 november 2002 is overleden en heeft zij verzocht
de behandeling van zaak voort te zetten.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 13 februari 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde terecht het pensioen
krachtens de AOW van rechthebbende op 10% heeft gesteld van het maximale
pensioen van een gehuwde.
De rechtbank heeft deze vraag in de aangevallen uitspraak bevestigend
beantwoord; daartoe is in de aangevallen uitspraak onder meer het
volgende overwogen:
"De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser in de periode
van 1 juli 1967 tot 9 juli 2000 evenmin verzekerd is geweest ingevolge
de AOW. Eiser heeft met ingang van 1 juli 1967 weliswaar een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ontvangen. Op
grond van deze WAO-uitkering is eiser echter niet verzekerd geweest voor
de AOW, aangezien hij gelijktijdig een Italiaanse
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen. Dat het ontvangen van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens een buitenlandse
wettelijke regeling in de weg staat aan het verzekerd zijn ingevolge de
Nederlandse volksverzekeringen van een persoon die in het buitenland
woont, blijkt uit de opvolgende algemene maatregelen van bestuur ter
uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden (laatstelijk
artikel 26, derde lid, van het Besluit van 24 december 1998, Stb 1998,
746).
Ten aanzien van eisers grief dat verweerder hem nimmer heeft aangemaand
te betalen en dat hij graag premie had willen betalen om verzekerd voor
de AOW te blijven, merkt de rechtbank op dat gelet op het bepaalde in
artikel 6 van AOW de enkele premieafdracht geen verzekering tot gevolg
zou hebben gehad.
Op grond van het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat eiser in
totaal gedurende (afgerond) 45 jaren niet verzekerd voor de AOW is
geweest.
Aangezien ingevolge artikel 13 van de AOW voor elk kalenderjaar dat de
pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest een korting van 2% dient
te worden toegepast, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht
heeft beslist eiser een ouderdomspensioen ter hoogte van 10% van het
maximale pensioen voor gehuwden toe te kennen."
Hetgeen door rechthebbende in hoger beroep is aangevoerd, heeft de Raad
niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad onderschrijft dan ook
het oordeel van de rechtbank met overneming van hierboven aangehaalde
gronden. Naar aanleiding van de inhoud van het beroepschrift merkt de
Raad nog op dat de moeilijke financiële omstandigheden die
rechthebbende aanvoert, gegeven de van toepassing zijnde wettelijke
bepalingen geen grondslag kunnen vormen voor de toekenning van een hoger
pensioen krachtens de AOW.
De Raad acht ten slotte in het onderhavige geval geen termen aanwezig om
toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Uit vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. H.J. Simon als leden in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met
zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|