|
Uitspraak
02/1091
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
de erven van wijlen [betrokkene], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3,4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Leeuwarden van 7 januari 2002, nr. 00/434 AOW, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens wijlen [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene) heeft mr. A.M.
Vinjé, werkzaam bij Rechtshulp CNV, een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 6 februari 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden
verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil de korting op de toeslag
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) van betrokkene wegens het niet
verzekerd zijn voor de AOW van diens echtgenote in de periode van 1
december 1961 tot 22 februari 1962.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze periode overwogen dat uit de
gedingstukken onvoldoende is gebleken dat de echtgenote van betrokkene
reeds vanaf 1 december 1961 geen ingezetene meer was als bedoeld in de
AOW. Eventuele twijfel hieromtrent dient ten voordele van betrokkene te
worden gebracht. Ten onrechte heeft appellant derhalve met betrekking
tot het wonen van de echtgenote van betrokkene in Groot-Brittannië een
extra korting van 2% op betrokkenes AOW-toeslag toegepast, aldus de
rechtbank.
De Raad stelt vast dat de echtgenote van betrokkene, daargelaten de
vraag of zij destijds ingezetene van Nederland was, blijkens een opgave
van haarzelf en van het Department of Social Security (DSS) in
voornoemde periode werkzaam (en volgens het DSS verzekerd) was in
Groot-Brittannië zodat op grond van artikel 4, eerste lid van het
Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 11 augustus 1954, Trb. 1954, 114 in die periode op haar de wetgeving van
het Verenigd Koninkrijk van toepassing was en van verzekering in
Nederland geen sprake kon zijn. Appellant heeft derhalve terecht een
korting toegepast op de toeslag van betrokkene wegens het niet verzekerd
zijn van diens echtgenote in de periode van 1 december 1961 tot 22
februari 1962.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt
en dat het inleidend beroep in zoverre ongegrond verklaard dient te
worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover deze in hoger beroep is
aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B.
van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met
zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|