|
Uitspraak
02/4181
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 juni 2002,
nummer 01/1882 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen..
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft
gereageerd.
Appellant heeft een stuk nagezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 februari
2004. waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door E.W. Viertelhauzen, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Aan appellant, geboren op 8 juli 1933, is een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, met een toeslag voor
zijn op 3 juli 1938 geboren echtgenote, [naam echtgenote].
Ingaande 1 augustus 2000 is aan de echtgenote van appellant een
FPU-uitkering verstrekt, door gedaagde vastgesteld op f. 1.427,52 per
maand, welke uitkering als inkomen in verband met arbeid door gedaagde
in mindering is gebracht op de toeslag. Dit heeft tot gevolg gehad dat
geen toeslag meer werd verstrekt.
Een bezwaar gericht tegen de korting van de FPU-uitkering op de toeslag
is door gedaagde ongegrond verklaard, waarna de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand heeft gelaten.
De Raad zal zich beperken tot de behandeling van het partijen in hoger
beroep verdeeld houdende geschilpunt, zijnde de vraag of de door de
echtgenote van appellant genoten FPU-uitkering dient te worden
aangemerkt als een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde
uittreding of een regeling, die daar naar aard en strekking mee
overeenkomt, welke op grond van het bepaalde in artikel 7, lid 1, aanhef
en onder d van het Inkomensbesluit AOW 1996 als inkomen in verband met
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven dient te worden beschouwd en
derhalve op de toeslag in mindering dient te worden gebracht.
De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen
aanleiding gevonden deze vraag anders dan de rechtbank, dus bevestigend,
te beantwoorden, nu de FPU-uitkering zowel naar de bewoordingen als de
strekking van de regeling waar zij -mede- op rust, te weten het
FPU-reglement basisuitkering en aanvullende uitkering, als een uitkering
bij vervroegde uittreding dient te worden beschouwd. Het feit dat een
component van de FPU-uitkering wordt gevormd door een flexibel pensioen
doet daaraan niet af.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak in stand moet
blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2004.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.P. Grauss.
|
|