|
Uitspraak
02/156
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3,4, en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Bij besluit van 21 maart 2000 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat
alsnog de toeslag op zijn pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet
(AOW) in verband met het inkomen van zijn partner op nihil werd gesteld.
Bij besluit van 25 mei 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat
een bedrag van f 9.943,81 wordt teruggevorderd en dat met ingang van
juni 2000 maandelijks een bedrag van f 400,- op het pensioen in
mindering wordt gebracht.
Bij het bestreden besluit van 13 november 2000 heeft gedaagde het
bezwaar dat appellant tegen het besluit van 21 maart 2000 heeft gemaakt,
ongegrond verklaard en naar aanleiding van het bezwaar dat appellant
tegen het besluit van 25 mei 2000 heeft gemaakt, dit besluit herroepen
in die zin dat verrekening van het bedrag van f 400,- per maand eerst
met ingang van november 2000 plaatsvindt.
De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 23 november 2001, nr. AWB
00/879, het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Tegen bovengenoemde uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 februari
2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich niet
heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat hij niet de (in het verweerschrift naar voren
gebrachte) opvatting van gedaagde deelt dat het beroepschrift niet een
grond, zoals door de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt vereist,
bevat. In dat verband wijst de Raad erop dat in het beroepschrift niet
alleen wordt gesteld dat de in eerste aanleg opgeworpen vragen door de
rechtbank niet beantwoord zijn en dat de in het verleden ingenomen
standpunten derhalve onverminderd van kracht blijven (dit onder
bijvoeging van de geschriften waaruit die standpunten blijken), maar dat
in het beroepschrift ook wordt gesteld dat appellant niet in staat was
op adequate wijze zijn belangen te behartigen doordat een verzoek om
uitstel van de mondelinge behandeling op 16 oktober 2001 door de
rechtbank is afgewezen. Naar het oordeel van de Raad kan gedaagde
derhalve geenszins staande houden dat het op grond van het beroepschrift
niet redelijkerwijs duidelijk is welke grieven appellant in hoger beroep
wenste aan te voeren.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het weduwepensioen
dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) aan de partner van
appellant heeft toegekend, als een uitkering moet worden beschouwd die
ingevolge de toepasselijke regelgeving op de toeslag op het pensioen van
appellant in mindering gebracht dient te worden en of gedaagde terecht
de eerder aan appellant toegekende toeslag met ingang van januari 1998
op nihil heeft gesteld.
De rechtbank heeft deze vraag in de aangevallen uitspraak bevestigend
beantwoord. Daartoe is in de aangevallen uitspraak het volgende
overwogen:
"Bij besluit van 24 maart 1992 is aan eiser met ingang
van 1 april 1992 een ouderdomspensioen met de daarbij behorende
vakantie-uitkering toegekend. Bij besluit van gelijke datum heeft
verweerder eiser medegedeeld dat hij op grond van het inkomen van zijn
partner geen recht heeft op een toeslag ingevolge de AOW. In verband met
de wijziging dan wel verlaging van de nabestaandenuitkering van zijn
partner per 1 januari 1998 heeft eiser op 10 november 1997 bij
verweerder een wijzigingsformulier ingediend. Op grond van de in dat
formulier vermelde gegevens heeft verweerder eiser bij besluit van 24
november 1997 medegedeeld dat hij met ingang van januari 1998 recht
heeft op een toeslag en de daarbij behorende vakantie-uitkering.
Vaststaat dat de partner van eiser vanaf 1978 weduwe is en sedertdien
een nabestaandenpensioen op grond van de AWW, respectievelijk de Anw, en
een weduwepensioen van het ABP ontvangt. Gelet op het bepaalde in
artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 7, derde lid,
aanhef en onder a, van het Besluit dient het weduwepensioen van het ABP
te worden beschouwd als inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs-
en beroepsleven. Anders dan eiser meent, heeft verweerder zich dan ook
terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van inkomen welk
ingevolge artikel 10, tweede lid, van de AOW in mindering dient te
worden gebracht op de toeslag.
Niet in geschil is dat eiser op voormeld wijzigingsformulier bij vraag 8
(inkomen partner) uitsluitend heeft vermeld dat zijn partner een
nabestaandenuitkering op grond van de Anw ontving. Ook op de door
verweerder in april 1998 en april 1999 toegezonden
inkomensopgaveformulieren heeft eiser bij vraag 3 (uitkering
(huwelijks)partner) uitsluitend melding gemaakt van de
nabestaandenuitkering op grond van de Anw. Als gevolg hiervan is op de
toeslag van eiser van januari 1998 tot en met februari 2000 uitsluitend
de Anw-uitkering in mindering gebracht. Eerst in oktober 1999 is
verweerder uit inkomensgegevens van de belastingdienst over het jaar
1998 gebleken dat de partner van eiser naast de Anw-uitkering ook een
weduwepensioen van het ABP ontving en dat gezien de hoogte van het
inkomen van de partner van eiser de toeslag ook per januari 1998 nihil
diende te bedragen. Verweerder heeft derhalve vanaf januari 1998
onverschuldigd een toeslag aan eiser betaald. Op grond van artikel 24,
eerste lid, van de AOW is verweerder gehouden hetgeen onverschuldigd is
betaald terug te vorderen. Van een dringende reden op grond waarvan
afgezien dient te worden van terugvordering is de rechtbank niet
gebleken."
In hoger beroep is door appellant wederom betoogd dat op de betreffende
formulieren slechts naar de inkomsten van zijn partner uit diverse
bronnen en naar het ontvangen van een aan de partner toegekende
uitkering wordt gevraagd en dat hij derhalve niet kon begrijpen dat
gedaagde onder uitkering mede een door het ABP toegekend weduwepensioen
begrijpt.
Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Ook al wil de Raad wel aannemen dat appellant niet de bedoeling heeft
gehad opzettelijk onjuiste informatie te verstrekken, toch is de Raad
van oordeel dat zulks niet wegneemt dat hij had kunnen en moeten
begrijpen dat hij ook genoemd weduwepensioen op de betreffende
formulieren had dienen te vermelden. Zo hij al niet uit de betreffende
formulieren had kunnen opmaken dat ook een weduwepensioen een te
vermelden vorm van inkomsten was, wordt iedere twijfel ter zake
weggenomen door de door gedaagde overgelegde toelichting behorend bij
het "inkomensopgaveformulier", waarin staat vermeld dat onder
uitkering onder meer "weduwenpensioen" moet worden verstaan.
Het op taalkundige gronden gestoelde betoog van appellant vermag de Raad
dan ook niet te overtuigen.
Hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, kan naar het oordeel van
de Raad evenmin leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit
en/of de aangevallen uitspraak. In dat verband merkt de Raad nog op dat
de griffier van de rechtbank reeds op 7 augustus 2001 aan appellant
heeft bericht dat de rechtbank geen aanleiding heeft gevonden de
behandeling ter zitting op 16 oktober 2001 uit te stellen. Ook naar het
oordeel van de Raad komt de reden van het verzoek van appellant om
uitstel van de mondelinge behandeling op 16 oktober 2001, niet een
zodanig gewicht toe dat op grond van dit verzoek de rechtbank had moeten
beslissen die mondelinge behandeling uit te stellen.
De Raad acht tenslotte in het onderhavige geval geen termen aanwezig om
toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden in tegenwoordigheid van J.J.B.van
der Putten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|