|
Uitspraak
03/41
AOW en 03/230 AOW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, hierna: de Svb.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de
taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens
verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Partijen hebben op daartoe bij beroepschriften aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank īs-Hertogenbosch
van 2 december 2002, nr. AWB 01/1949 AOW, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en betrokkene heeft nog een
brief, met een bijlage, aan de Raad gezonden.
De gedingen zijn, gevoegd met een aantal soortgelijke gedingen,
behandeld ter zitting van de Raad op 5 maart 2004, waar betrokkene -met
kennisgeving- niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal en mr. drs. M. van Everdingen,
beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Svb heeft met ingang van 1 april 1996 een ouderdomspensioen ingevolge
de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan betrokkene toegekend ter hoogte van
het volledige pensioen voor een ongehuwde. In april 2000 heeft
betrokkene aan de Svb bericht dat zij was gaan samenwonen met de heer
[de man] (hierna: [de man]). Door de Svb is vervolgens een onderzoek
ingesteld omtrent het samenwonen van betrokkene. Daaruit is gebleken dat
betrokkene en [de man] in 1980 een samenlevingscontract hebben gesloten,
waarin zij verklaren een gemeenschappelijke huishouding te voeren.
Verder is gebleken dat zij sedert 1980 beschikken over een gezamenlijke
bankrekening en dat zij sindsdien op hetzelfde adres staan ingeschreven.
Betrokkene heeft echter verklaard dat zij tot en met eind november 1997
in Amsterdam heeft verbleven om voor haar zieke moeder te zorgen en dat
het adres in īs-Hertogenbosch slechts een postadres was. Vanaf november
1997 zou zij wel een gezamenlijke huishouding vormen met [de man].
Bij besluit van 2 maart 2001 heeft de Svb het aan betrokkene toegekende
ouderdomspensioen met ingang van 1 april 1996 herzien in een
ouderdomspensioen voor een gehuwde, omdat zij toen een gezamenlijke
huishouding voerde met een andere persoon. In een begeleidende brief bij
dit besluit, eveneens gedateerd 2 maart 2001, heeft de Svb aan
betrokkene medegedeeld dat zij over voornoemd tijdvak f 27.665,27 (
12.553,95) teveel aan AOW-pensioen heeft ontvangen en dat de Svb van
plan is dit bedrag van haar terug te vorderen. Daarbij is aan betrokkene
verzocht aan te geven hoe zij dit bedrag terug wil betalen. Tevens is
aan betrokkene medegedeeld dat na ontvangst van haar reactie een
beslissing over de terug- en invordering zal worden genomen, waartegen
desgewenst bezwaar gemaakt kan worden.
Bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2001, hierna: het bestreden
besluit, heeft de Svb het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 2
maart 2001 ongegrond verklaard, overwegende dat terecht is besloten het
AOW-pensioen van betrokkene te herzien vanaf 1 april 1996, omdat uit het
ingestelde onderzoek is gebleken dat betrokkene en [de man] reeds voor
de datum waarop betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikte hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zij toen in elkaars
verzorging voorzagen. Voorts heeft de Svb het bezwaar van betrokkene
tegen het voornemen van de Svb, zoals verwoord in de begeleidende brief
van 2 maart 2001, het teveel betaalde bedrag terug te vorderen
niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene ongegrond verklaard
voorzover het is gericht tegen het besluit het AOW-pensioen van
betrokkene vanaf 1 april 1996 te herzien. Daartoe heeft de rechtbank
overwogen dat uit het door de Svb ingestelde onderzoek voldoende is
gebleken dat betrokkene en [de man] een gezamenlijke huishouding voeren
als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Ten aanzien van de
stelling van de betrokkene dat zij haar hoofdverblijf tot november 1997
in Amsterdam had, heeft de rechtbank overwogen dat het verzorgen van
haar moeder nog niet betekent dat betrokkene haar hoofdverblijf toen in
Amsterdam had. Daarvoor is bepalend vanuit welke woning activiteiten
worden ontplooid en sociale contacten worden onderhouden. Uit de
verklaring van betrokkene blijkt volgens de rechtbank dat zij toen vele
activiteiten gezamenlijk met [de man] ondernam, zij de weekenden samen
waren, sociale contacten gezamenlijk onderhielden en samen met vakantie
gingen.
Verder heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard,
voorzover het is gericht tegen het besluit haar niet-ontvankelijk te
verklaren in haar bezwaren tegen de terugvordering, zoals verwoord in de
begeleidende brief van 2 maart 2001. Daartoe heeft de rechtbank
overwogen dat deze brief de ondubbelzinnige mededeling bevat dat
betrokkene een bedrag ad f 27.665,27 aan de Svb moet terugbetalen. Deze
brief is volgens de rechtbank gericht op rechtsgevolg en daarom aan te
merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat hieraan
niet kan afdoen dat de besluitvorming van de Svb over de terugvordering
nog niet was afgerond toen de begeleidende brief van 2 maart 2001 werd
verzonden.
De Svb heeft in hoger beroep slechts grieven aangevoerd tegen het
oordeel van de rechtbank over de vraag of de begeleidende brief van 2
maart 2001 een besluit is in de zin van de Awb. Daarbij heeft de Svb
opgemerkt dat op grond van artikel 24, vijfde lid, van de AOW in
beginsel een gecombineerde terug- en invorderingsbeslissing genomen moet
worden. De begeleidende brief van 2 maart 2001 is volgens de Svb slechts
een vooraankondiging van de terugvordering, waarbij een
betalingsvoorstel wordt gedaan inzake het terug te vorderen bedrag ten
einde de betrokkene de gelegenheid te bieden daarop te kunnen reageren.
De brief is derhalve slechts een tussenschakel in de
besluitvormingsketen die uiteindelijk resulteert in een gecombineerd
terug- en invorderingsbesluit. De besluitvorming over de terugvordering
is derhalve pas afgerond op het moment dat besloten wordt tot een
gecombineerd terug- en invorderingsbesluit.
Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat voor november 1997 geen
sprake was van een gezamenlijke huishouding. Ter zitting van de Raad is
namens de Svb medegedeeld dat nog geen definitief terug- en
invorderingsbesluit is genomen.
De Raad overweegt het volgende.
Met betrekking tot het hoger beroep inzake de herziening van het
ouderdomspensioen kan de Raad zich geheel verenigen met de overwegingen
die de rechtbank hebben gebracht tot het oordeel dat betrokkene en [de
man] ook reeds gedurende het nog in geschil zijnde tijdvak van 1 april
1996 tot november 1997 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld
in artikel 1, vierde lid, van de AOW, zodat betrokkene vanaf 1 april
1996 slechts aanspraak had op een ouderdomspensioen voor een gehuwde. De
Raad voegt daaraan toe dat reeds uit de tekst van het in 1980 gesloten
samenlevingscontract, uit de sindsdien bestaande gezamenlijke
bankrekening en uit het feit dat betrokkene en [de man] sinds 1980
enkele keren samen zijn verhuisd naar een andere woning in voldoende
mate blijkt dat er vanaf 1980 sprake is van gezamenlijke huisvesting en
van het wederzijds zorgdragen voor elkaar.
Met betrekking tot het hoger beroep inzake de terugvordering stelt de
Raad voorop dat tussen partijen in geschil is of de rechtbank het
bestreden besluit terecht heeft vernietigd voorzover daarbij de bezwaren
van betrokkene tegen de begeleidende brief van 2 maart 2001
niet-ontvankelijk zijn verklaard. Daarbij spitst het geschil zich toe op
de vraag of die brief aangemerkt moet worden als een besluit in de zin
van artikel 1:3 van de Awb.
De Raad is met de Svb van oordeel dat de begeleidende brief van 2 maart
2001 gezien de inhoud van dit schrijven niet aangemerkt kan worden als
een besluit in de zin van de Awb, omdat die brief niet is gericht op
enig rechtsgevolg en derhalve geen rechtshandeling bevat. De brief heeft
blijkens de bewoordingen ervan voornamelijk tot doel betrokkene te
informeren enerzijds over het voornemen van de Svb om de ten onrechte
betaalde uitkering terug te vorderen en anderzijds over de hoogte van
het bedrag dat volgens de Svb onverschuldigd aan uitkering is betaald.
Voorts wijzen ook de overige omstandigheden er geenszins op dat de Svb
het besluitvormingsproces ten aanzien van de terugvordering op 2 maart
2001 reeds had afgerond. In de brief wordt immers een voorstel tot een
betalingsregeling gedaan aan betrokkene met als doel om, na kennisneming
van de reactie van haar, te komen tot een gecombineerd terug- en
invorderingsbesluit als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de AOW.
Verder heeft de Svb ter zitting van de Raad er terecht op gewezen dat de
reactie van betrokkene aanleiding zou kunnen geven om op grond van het
vierde lid van artikel 24 van de AOW geheel of gedeeltelijk af te zien
van de terugvordering.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de Svb bij het
bestreden besluit de bezwaren van betrokkene tegen de begeleidende brief
van 2 maart 2001 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen
sprake is van een besluit in de zin van de Awb.
Voorts constateert de Raad dat het bezwaarschrift van betrokkene op
grond van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb niet aangemerkt kan
worden als een prematuur bezwaar, nu betrokkene op grond van de tekst
van de brief van 2 maart 2001 redelijkerwijs niet kon menen dat reeds
een besluit over de terugvordering tot stand was gekomen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van de Svb wel en
dat van betrokkene niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, voorzover daarbij het
beroep gericht tegen de herziening van het AOW-pensioen vanaf 1 april
1996 ongegrond is verklaard, en dat die uitspraak voor het overige
vernietigd dient te worden. Voorts dient het inleidend beroep gericht
tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de
begeleidende brief van 2 maart 2001 ongegrond verklaard te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep gericht
tegen de herziening van het AOW-pensioen per 1 april 1996 ongegrond is
verklaard;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verklaart het inleidend beroep gericht tegen de
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de begeleidende brief
van 2 maart 2001 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing
van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met
zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|