|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4008 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Mexico), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft zijn voormalige gemachtigde, mr. A.M. Hilhorst,
werkzaam bij FNV Ledenservice te Amsterdam, bij beroepschrift van 30
juli 2002 hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam,
onder dagtekening
26 juni 2002, tussen partijen gegeven uitspraak (01/3814 AOW), waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Mr. H. Koelewijn, advocaat te Utrecht, heeft bij aanvullend
beroepschrift van 8 oktober 2002 namens appellant de gronden van het
hoger beroep aangevoerd.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 maart
2004, waar appellante, zoals voorafgaand is bericht, niet is verschenen.
Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr.
C.A.J. Mastenbroek, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt sedert 1 september 1971 een uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant heeft zich
in 1981 met behoud van zijn WAO-uitkering in Mexico gevestigd. Op 13
september 2000 heeft hij bij gedaagde informatie over de vrijwillige
verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene
nabestaandenwet (AOW/Anw) opgevraagd. Vervolgens heeft appellant op 31
oktober 2000 een aanvraag voor deelname aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering
ingediend. Bij primair besluit van 1 juni 2001 heeft gedaagde appellant
deelname aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering geweigerd op de grond
dat appellant niet binnen één jaar na beëindiging van de verplichte
verzekering voor de AOW en Anw een aanvraag voor vrijwillige verzekering
heeft ingediend.
Bij besluit op bezwaar van 25 september 2001 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen dit besluit
(kennelijk) ongegrond verklaard. Volgens gedaagde was appellant vanaf
het moment dat hij zich in 1981 in Mexico vestigde niet meer verplicht
verzekerd voor de AOW en Anw. Aangezien appellant niet in een lidstaat
van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) of een land woonde waarmee
Nederland een verdrag op het gebied van de sociale zekerheid heeft
afgesloten, voldeed appellant niet aan de voorwaarden gesteld in artikel
1, onder h, van het Besluit van 19 oktober 1976, Stb. 557 (hierna: KB 557). Nu appellant niet binnen
één jaar na inwerkingtreding van het Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen 1989 van 3 mei 1989, Stb. 164
(hierna: KB 164) om toepassing van dit KB heeft gevraagd, is KB 557 op
hem van toepassing gebleven, zodat hij uitgesloten bleef van verplichte
AOW/Anw-verzekering. Aangezien appellant zich niet binnen de
aanmeldingstermijn van één jaar na het einde van zijn verplichte
verzekering in 1981 voor deelname aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering
bij gedaagde heeft aangemeld, is appellant naar het oordeel van gedaagde
niet bevoegd om aan de vrijwillige verzekering deel te nemen.
De rechtbank heeft bij de uitspraak van 26 juni 2002 het beroep van
appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft
de rechtbank het standpunt van gedaagde, zoals is verwoord in het
bestreden besluit, onderschreven. Naar aanleiding van de stelling van
appellant dat de in artikel 25 van KB 164 opgenomen hardheidsclausule op
hem van toepassing zou zijn, heeft de rechtbank overwogen dat de
hardheidsclausule alleen betrekking heeft op het KB waarin het is
vermeld. Nu appellant niet verzekerd wordt beschouwd op grond van het
feit dat hij niet in Nederland woont en/of werkt is de hardheidsclausule
naar het oordeel van de rechtbank niet op hem van toepassing.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat tot 1 januari 2000
premies volksverzekeringen zijn ingehouden. Aangezien appellant op 5
oktober 2000 om informatie over de vrijwillige verzekering heeft
gevraagd, heeft hij naar zijn oordeel binnen een jaar na afloop van de
verplichte verzekering een aanvraag voor deelname aan de vrijwillige
verzekering ingediend. Indien sprake is van ten onrechte ingehouden
premies volksverzekeringen doet appellant een beroep op het beleid van
gedaagde, inhoudende dat in het geval dat betrokkene redelijkerwijs in
de veronderstelling kon verkeren verzekerd te zijn geweest een
uitzondering kan worden gemaakt op de regel dat binnen één jaar na het
einde van de verplichte verzekering een aanvraag voor de vrijwillige
verzekering moet zijn ingediend. Aangezien geen sprake is van
aantoonbaar en doelbewust handelen of nalaten van appellant zelf
waardoor ten onrechte premies zijn ingehouden, moet gedaagde volgens
appellant een uitzondering maken.
Naar het oordeel van appellant kan zijn aanvraag voor deelname aan de
vrijwillige verzekering tevens worden opgevat als een verzoek om
toepassing van KB 164. Nu appellant tussen wal en schip raakt, dient de
hardheidsclausule in zijn geval te worden toegepast.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, onder h, van KB 557 is
appellant met ingang van 1981 niet verplicht verzekerd op grond van dit
KB. Appellant woonde destijds immers niet in een lidstaat van de EEG of
in een land waarmee Nederland een verdrag op het gebied van de sociale
zekerheid heeft afgesloten. Met de inwerkingtreding van KB 164 had
appellant verplicht verzekerd kunnen worden indien hij, zoals in artikel
30 van KB 164 is bepaald, binnen een jaar na 1 juli 1989, zijnde de
datum van inwerkingtreding van KB 164, gedaagde had verzocht om als
verzekerde ingevolge de volksverzekeringen te worden aangemerkt. Dit
heeft appellant - om hem moverende redenen - niet gedaan, zodat KB 557
naar het oordeel van de Raad op hem van toepassing is gebleven.
Voorts staat vast dat appellant niet binnen één jaar na het einde van
de verplichte verzekering in 1981 een aanvraag voor deelname aan de
vrijwillige verzekering heeft ingediend.
Verder heeft appellant naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk
gemaakt dat er tot 1 januari 2000 premies volksverzekeringen zijn
ingehouden. Appellant kan dan ook niet op grond van premiebetaling in de
veronderstelling hebben verkeerd dat hij verplicht verzekerd was.
Derhalve kan appellant geen beroep doen op het beleid van gedaagde op
dit punt.
Ten slotte kan ook het beroep van appellant op de hardheidsclausule,
opgenomen in artikel 25 van KB 164, naar het oordeel van de Raad geen
doel treffen. Zoals de rechtbank en gedaagde terecht hebben opgemerkt,
vloeit het niet verplicht verzekerd zijn van appellant voort uit de
hoofdregel dat een niet-ingezetene niet verzekerd is. De Raad heeft in
zijn uitspraak van 9 september 1998, gepubliceerd in RSV 1999/29, erkend dat de toepassing
van de hardheidsclausule in KB 164 is begrensd in die zin dat, op basis
van de hardheidsclausule, niet kan worden afgeweken van de hoofdregels
inzake verzekering in Nederland.
Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep
van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 april
2004.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|